Jaargang 1991, nummer 1

Voorwoord

Dit is een probeersel! Wij willen trachten een nieuw blad voor en door Boissevains van de grond te krijgen. De aanleiding is dat wij u de aanvullingen en verbeteringen van onze stamboom willen doorgeven, uitgaande van de stamboom die in het Nederlands Patriciaat van 1988 is gepubliceerd. Uitgaande van die gedachte ontstond het plan een Boissevain-krant te maken en daarin niet alleen de mededelingen maar ook artikelen over onze familie op te nemen.

Als eerste artikel hebben wij de voordracht opgenomen die Charles F.C.G. tijdens de reünie in de Nieuwe Kerk te Amsterdam op 9 september 1989 heeft gehouden over de Boissevains in de vorige eeuw. Wij zullen natuurlijk niet elke keer zo’n gedegen geschiedkundig artikel kunnen produceren. Wij stellen ons voor dat ook anekdotes over bepaalde familieleden of sfeerbeschrijvingen boeiend kunnen zijn en wij denken daarbij vooral aan verhalen over de generaties die (bijna) uitgestorven zijn. Wij hopen daarbij op bijdragen van uw kant. Dit eerste exemplaar dient om uw belangstelling te peilen. Wij willen de verdere toezending koppelen aan het lidmaatschap van ons familieverband (formeel zal het een donateurschap zijn omdat wij juridisch een stichting zijn).

Ernst Boissevain, voorzitter

 

Bestuur en redactie van de Boissevain Stichting

Van links naar rechts (staand) : Jan Willem, Anneke and Charles

(zittend) : Ernst and Daan

Afwezig : Bob

Richting Bergerac

Gaat bij jou je hart ook sneller tikken bij het praten over een vakantie naar de Dordogne of bij het zien van een fles lekkere Bergerac-wijn? Zoiets van: praat of drink jij nou maar lekker door, maar ik weet er meer van! Misschien heb je de naam Bergerac wel op je huis geschilderd of op de poort van de inrit, en de echte fanatiekelingen kijken in de telefoonboeken van Perigeux en omgeving of onze familienaam erin voorkomt of een andere verbastering van Bouyssavy. Of je er nou warm voor loopt of niet, onze ‘roots’ liggen nou eenmaal in de Dordogne en velen vinden het best leuk om eens in ons stamgebied geweest te zijn of er een kijkje te nemen. De gedachte heeft postgevat dat het dubbel zo leuk is om dat met een groep familieleden te doen. Bijvoorbeeld met z’n allen in een bus. En waarom zouden de Boissevains niet met een busreis kunnen maken, kort maar krachtig naar het uiterst puntje van de wortel van onze stamboom. Een paar dagen terug naar de tijd dat je je protestantse nek maar niet te ver moest uitsteken vanwege de kans dat je hoofd eraf werd gehakt. We kunnen de lokale museumdirecteur vragen ons iets meer over die tijd te vertellen en de archivaris eens een 16 e-eeuws familiestuk uit de lade te halen. Onze bus toont ons comfortabel de omgeving, we kuieren wat door Bergerac en tijdens een stop proeven we in het Château de Monbazillac de wijn die afkomstig is van de ranken die Lucas misschien nog heeft gestekt. Enfin, de verbeelding wil ook wat!

Je bent nog niet gestopt met lezen, dus met die verbeelding zit het wel goed. Maar ook omdat je er wel iets leuks in ziet of wilt weten hoe lang je moet sparen en hoe zo’n reis geregeld gaat worden. Ons bestuur heeft wat voorwerk gedaan en laat zien hoe het zou kunnen worden. Alles onder voorbehoud, want we moeten wel 50 personen in die bus hebben en misschien zijn er nog wel betere ideeën.

Hier spreekt uw reisleider a.i.:

‘Op een vrijdagochtend in april of oktober 1992 stap je in Utrecht in onze eigen luxe touringcar en rijden we naar het zuiden. Bij de Franse grens por ik je in je ribben, om je te laten voelen wat de douaniers Lucas B. destijds hebben aangedaan toen hij verscholen tussen de wijnvaten naar de Republiek vluchtte. Ergens ten zuiden van Parijs overnachten we en wanneer we zaterdagmiddag in Bergerac arriveren, laten we de regionale historicus meteen aan het woord over het leven in dit gebied zo’n drie of vier eeuwen geleden, het liefst in een museumachtige omgeving. Twee nachten logeren we in een hotelletje in de buurt. De zondag gebruiken we voor het bekijken van een of twee stadjes, de streek, het château of ieder naar eigen goeddunken. Op maandagochtend krijgen we geheel inzicht in het uiterste puntje van de wortel van onze stamboom, waarbij we de oudste archiefstukken te zien krijgen waar onze familienaam in voorkomt. Onder het stof, maar voldaan stappen we ’s middags weer in de bus en na een overnachting ergens aan de Loire zijn we aan het eind van de dinsdag weer in de Domstad. Voor dit alles zo’n fl. 650,- armer, maar een ervaring rijker. De banden zijn aangehaald, de wortels gekrabd, je hebt zelf niet hoeven rijden, je hebt geslapen en gegeten. Maar, we moeten wel met 50 personen zijn, anders wordt het te duur.

Charles F.C.G. Boissevain

 

Dit jaar door rijzing der effecten voorspoedig geëindigd

Dat veel in deze stad herinnert aan de 17 e of Gouden eeuw hoef ik u niet te vertellen. In ieder geval doe ik dat niet, want ik bepaal mij in mijn verhaal tot de 19 e eeuw. Niet dat wij geen banden hebben met het 17 e-eeuwse Amsterdam; ik hoef u alleen maar in de herinnering te brengen dat de om geloofsredenen uit de Dordogne uitgeweken Lucas Boissevain zich circa 1691 hier vestigde.

De daaropvolgende 18 e eeuw staat algemeen bekend als een periode waarin men op zijn lauweren rustte en waarin er weinig spectaculaire activiteiten op economisch gebied te melden zijn. Ook het blauwe boekje geeft voor wat onze familie betreft geen aanleiding daarover anders te denken. In ieder geval weten we dat in onze eeuw de herinnering aan het moederland een sterke band tussen de uit Frankrijk gevluchte families in Amsterdam gaf. Met de komst van de Fransen in 1795 raakte de stad economisch verder in verval en ook de terugkeer van het Huis van Oranje in 1813 bracht nauwelijks herleving van de activiteiten.

Het is daarom zo interessant te zien dat Daniël Boissevain toch brood zag in het mede oprichten van de firma Retemeyer & Boissevain in 1797, vanaf 1812 Boissevain & Co geheten. Wanneer we het dagboek van zijn zoon mogen geloven, dan hebben we met deze Daniël te maken met een dertigjarige, die niet schroomde om per koets en trekschuit binnen België wijn van Frankrijk naar Duitsland te smokkelen en koloniale waren als suiker en koffie van Duitsland naar Engeland. En op slinkse wijze werden de door de Fransen verboden artikelen uit Engeland – als zijnde Duits van origine – naar Amsterdam en Rotterdam gebracht en daar zeer winstgevend te gelde gemaakt. Vooral vanaf 1810 gingen de handelaren echt nadeel ondervinden van de zware lasten als gevolg van de Franse overheersing, toen de rente op de staatsschuld meet tweederde werd teruggebracht en 50% van de waarde van de koloniale goederen in baar zilvergeld aan Napoleon moest worden betaald. Daniëls pakhuis zat net vol en met kruiwagens werd het geld naar de Franse ontvanger gereden! En spoedig daarna zag hij de gehate overheersers zijn illegaal verkregen Engelse manufacturen verbranden nabij zijn pakhuis. Na het verdwijnen van Napoleon gingen de Boissevains door met hun handel en daarmee ontstond een meer normaal dagelijks leven. Daniël werd in dat jaar lid van de Rechtbank van Koophandel en zal zeker het zijne hebben bijgedragen toen hij van 1816 tot 1821 lid van de Kamer van Koophandel was. In de jaren twintig legde men echter nog een kanaal naar Den Helder aan alsof er geen stoom in aantocht was en dat terwijl in de rest van Europa de Industriële Revolutie al in volle gang was. Wel wordt in 1839 de eerste spoorlijn van Amsterdam naar Haarlem geopend, maar de achterstand ten opzichte van de oude concurrent Engeland was inmiddels in technologisch en economisch opzicht onmetelijk geworden. In zijn dagboek schrijft Daniël’s zoon daarover: ”Zondag 1september. Met Maria en de jongens naar Sloterdijk. Den stoomwagen met vier wagens achter zich langs den yzeren weg zien komen. Het ging snel en goed. Deze yzeren weg van Amsterdam naar Haarlem is den 25sten augustus het eerst bereden. Regen en wind bij het terugkomen”.

De jonge Amsterdamse reder Paul van Vlissingen komen we al vroeg in de jaren twintig tegen met de vaart met stoomboten op Zaandam en Londen, maar Amsterdam blijft nog tientallen jaren overwegend een haven van zeilschepen. De oudste zoon van de eerder genoemde Daniël, Gideon Jeremie geheten, was van 1816 tot 1868 lid van de scheepsrederij Boissevain & Co, maar of deze rederij in de beginperiode al met stoomschepen voer is mij niet bekend. In het begin van de vorige eeuw vormde het Leidseplein nog de uitvalspoort naar het landelijke gebied tussen Amsterdam, Leiden en Haarlem. Van de Leidse Poort met z’n middeleeuws aandoend uiterlijk leidde een smalle brug naar een nog puur landelijk Leidse Bosje. Aan de ‘Café du Théâtre’, waar de bezoeker van de houten schouwburg z’n drankje dronk. Dat puur landelijke karakter had Amsterdam nog tot ver in de 19 e eeuw. Gideon was een Boissevain met meerdere huwelijken. In 1830 trouwde hij voor de derde maal, toen met de dochter van de bankier Van Heukelom. Gideon stond ook bekend als een goed zakenman en de fl. 40.000,- die zijn vrouw als bruidschat meebracht, belegde hij in de toekomst, nog onwetend van de Belgische Opstand in dat jaar die Nederland en België definitief van elkaar zou scheiden. In zijn dagboek wordt dagelijks de stand van de fondsen bijgehouden en gerelateerd aan de politieke ontwikkelingen in de wereld. Op 31 december schrijft hij: “Dit jaar door de opstand der Belgen en daardoor veroorzaakte daling der fondsen allernadeeligst!! En bykans geen verdienste door den stillen handel”. Wat een verschil met een jaar eerder: “Donderdag 31 december. Kas opgemaakt. Effecten zeer willig. Handelsmaatschappij 89%. ’s Avonds in de Zykamer gezeten en in de eetkamer gecollationeerd. Dit jaar door ryzing dr Effecten voorspoedig geëindigd. Myn gezondheid vry wel”.

De vele ontwikkelingen in de stad en de welstand die dit voor onze familie met zich meebracht, komt ook tot uiting in de nevenfuncties van de Boissevains. Naast functies bij de Waalse Hervormde Kerk zijn er vele die op sociaal gebied liggen en natuurlijk op economisch vlak. Gideon Jeremie was rijkscommissaris van het Entrepotdok en zijn dochter Hester trouwde met ene Den Tex: lid van de Kamer van Koophandel, lid van de commissie die het Vondelpark liet aanleggen, directeur Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij etc. Het is duidelijk dat er familierelaties gaan ontstaan tussen ondernemers van het opkomende Amsterdam, die elkaar steeds weer tegenkomen en elkaar helpen om de bedrijven op te bouwen. Interessant is te zien hoe ook de politieke invloed een rol gaat spelen. Bijvoorbeeld onze Gideon Jeremie bracht de bekende Jan Boissevain van de Koninklijke Pakketvaartmaatschappij voort, die tevens gemeenteraadslid en lid van de Provinciale Staten was. Deze reder Jan Boissevain woonde van 1896 tot 1904 op de Herengracht 386 in het 17 e-eeuwse grachtenhuis gebouwd door Ph. Vingboons. Hij was overigens de oudere broer van Charles Boissevain van het Algemeen Handelsblad, die in het boek ‘Onze Voorttrekkers’ zo’n typerend beeld geeft van het leven in Amsterdam in onze familiekring aan de hand van de dagboeken van zijn vader en grootvader.

Tussen 1860 en 1900 vindt een revolutionaire explosie in het ingeslapen Amsterdam plaats. Toen in 1872 de Oranjesluizen bij Schellingwoude gereed kwamen, was de Amsterdamse haven – onberoerd door eb en vloed – verbonden met Noord- en Zuiderzee en via het Merwedekanaal met de Rijn. Vooral hierdoor kwam de herleving van Amsterdam op gang en tussen 1876 en 1896 neemt de omvang van de scheepvaart op de stad met 400% toe. Vele families met bekende namen komen tot wasdom. U treft ze aan in het blauwe boekje, maar ook noem ik de van Eeghen’s en de Van Lennepen, en Petronella – de dochter van reder Jan Boissevain – huwede Adriaan van Hall, directeur Amsterdamsch Trustee’s Kantoor N.V., lid van de firma Jan Kalff & Co en van de bankiersfirma H. Oyens & Zonen.

Maar laten wij – net als bij de 17 e-eeuwse Gouden Eeuw – de ogen niet sluiten voor de keerzijde van de medaille. Er heerste bittere armoede onder 10% van de 250.000 Amsterdammers. Kelderwoningen, een hoog percentage kindersterfte, bedelingen, leven van aalmoezen, roof en plunderingen. Dit alles kwam veelvuldig voor in onze stad, waar vele stinkende grachten om hygiënische redenen moesten worden gedempt. In 1900 had de bevolking zich verdubbeld: ruim 500.000 inwoners. Voor de meesten was een huis weggelegd dat uitsluitend uit winstoogmerk werd gebouwd: snel, slecht en zonder controle. Gelukkig komen we veel Boissevains tegen onder de personen, die hiervoor oog hadden en er daadwerkelijk aan mee wilden werken dat deze schrijnende toestanden zouden verdwijnen. Ik pluk uit onze stamboom de zoon van Jan Boissevain: Matthijs Gideon Jan, die we tegenkomen als lid van de Maatschappij van Weldadigheid en als lid van het bestuur van de afdeling Amsterdam van het Nederlands Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen. En zijn moeder komen we tegen als lid van het damescomité ter Inrichting voor Doofstommenonderwijs en als lid van de commissie van Onderwijs Bijzondere Middelbare School voor Meisjes etc. En gaarne geeft ik de vrouwen nog wat meer nadruk. Behalve de grote hoeveelheid kinderen die werden grootgebracht hadden velen eervolle en soms vooruitstrevende taken op sociaal gebied. Laten wij ook hen eren, door ze te noemen en in de toekomstige stambomen te vermelden.

En hiermee kom ik aan het einde van mijn verre van complete sprokkeltocht door het 19 e-eeuwse Amsterdam van de Boissevains. Het is geweldig in “Onze Voortrekkers” te lezen hoe zij leefden. Eind jaren zeventig werd het archief van de firma Boissevain & Co in het Gemeentearchief van Amsterdam geïnventariseerd en begin jaren tachtig ons familiearchief. Nu is onze genealogie gepubliceerd. Allemaal een geweldige prestatie, maar voor mij geen doel op zich. Het zijn tussenstappen die toekomstige onderzoekers – en dat kan best een van u zijn – in staat moeten stellen uit te zoeken en op schrift te stellen wat nou eigenlijk die drijvende kracht achter die achttiende-eeuwse ondernemers was, hoe die familierelaties hebben geholpen bij het opbouwen van de Amsterdamse economie, hoe dat samenspel tussen ondernemer en politicus ging en wat de invloed der Boissevains in het openbare leven was waarin zij door hun nevenfuncties zo betrokken waren. Pas dan kunnen we een goed beeld krijgen van de werkelijke invloed van onze familie en daarbij niet alleen van de mannen. Met deze aansporing tot verder onderzoek beëindig ik mijn verhaal.

Charles F.C.G. Boissevain

 

De herinnering levend houden

Vandaag, 25 februari 1991: een beslissende dag in Koeweit in de vrijheidsstrijd tegen Sadam Hoessein. Precies 50 jaar geleden, op 25 februari 1941: een beslissende dag in Nederland in de vrijheidsstrijd tegen Hitler – de grote februari – staking als algemene daad van verzet. Heel wat leden van de familie Boissevain zijn omgekomen in de Tweede Wereldoorlog, hebben hun leven ingezet voor vrede en vrijheid van hun medemensen. Wij brengen een eresaluut aan hun naar te hunner nagedachtenis.

(NP = Nederlands Patriciaat, 1988)

Er was een verzetsgroep CS-6, genoemd naar het adres van de familie Boissevain op de Cornelli Straat 6 in Amsterdam. Een deel van hun activiteiten is beschreven in ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ van Dr. L. de Jong. Zie deel 6, blz. 158/159 en 546, deel 7, blz. 924-933: ze verzamelden militaire inlichtingen, ze pleegden alle mogelijke vormen van sabotage, ze liquideerden vijandelijke prominenten zoals generaal Seyffardt. In 1943 werden vele leden van de groep na verraad gearresteerd. Vader JAN Boissevain (1895-1945, NP p.55, nr.IXa1) stierf in het concentratiekamp Buchenwald. Zoon JAN KAREL Boissevain (1920-1943, NP p.56, nr.IXa1), zoon GIDEON WILLEM Boissevain (1921-1943, NP p.56, nr.IXa2), hun verre neef LOUIS DANIEL Boissevain (1922-1943, NP p.128, nr.VIIIv2) en 11 anderen werden gefusilleerd in Overveen.

Lees meer over de verzetsgroep CS-6 op de website: Zij kozen voor verzet

Ook anderen zijn opgepakt, hebben gevangen gezeten en zijn in een Duits concentratiekamp tenslotte omgekomen. Mijn vader, ROBERT LUCAS Boissevain (1895-1945, NP p.74, nr.IXh) stierf in Zwieberge. Hij was sinds het begin van de oorlog betrokken bij diverse verzetsdaden, zoals spionage en contact met Engeland, maar heeft noch zijn familie noch anderen ooit verteld wat precies. Hij is door verraad in 1943 opgepakt. GEDEON JEREMIE Boissevain (1903-1945, NP p.113, nr.VIIIz) stierf in Neuengamme. Hij was lid van de Landelijke Organisatie tot hulp aan onderduikers, heeft als bankdirecteur de namen van joodse cliënten verzwegen en het distributiesysteem voor het verzet gebruikt. Ook zijn vrouw wist van niets. Twee Amerikaanse leden van onze familie zijn omgekomen als militairen die waren betrokken bij de bevrijding van Europa. FREDERIC WILLIAM Boissevain (1904-1943, NP p.81, nr. IX1) kwam on in Canada tijdens legeroefeningen. HENRY GLENN Boissevain (1920-1944, NP p.120, nr.VIIIt1) ia gesneuveld in een luchtgevecht boven Duitsland.

Twee leden van de familie Boissevain verloren door de oorlog hun echtgenoten. GON Boissevain verloor haar man EDUARD VELTMAN (1909-1943, NP p.60, nr.VIIIb4) die als krijgsgevangene is omgekomen tijdens een transport op de Java Zee. MARY Boissevain kon nog net op tijd aan de Japanners ontsnappen naar Amerika, maar haar man JAN HENDRIK DE JONG kwam terecht in een concentratiekamp in Thailand, waar hij nog wel de oorlog heeft overleefd, maar daarna is gestorven aan gesloopte conditie en t.b.c. (1895-1946, NP p.71, nr.VIIIc5).

Vele andere leden van onze familie hebben tegen de vijand gevochten, hebben door de oorlog geleden, hebben verdriet gehad om degenen die omkwamen. De lezer sta mij toe dat ik slechts drie namen noem. “Mammie” MIES Boissevain-van Lennep (1896-1965, NP p.56, nr.IXa) wordt door Dr. L. de Jong vermeld in deel 1, p.489, deel 6, p.338, deel 8, p.871 en 924 en deel 9, p.529. Ze was, behalve als “moeder” van CS-6, actief bij de opvang van joodse kinderen en het zenden van voedselpakketten aan oorlogsgevangenen. Ze verloor haar man JAN en haar zoons JANKA en GI en heeft zelf ook gevangen gezeten in Vught en Ravensbruck (samen met LOUIS’ zuster THEA, NP p.128, nr.VIIIv1). Mijn moeder SONJA Boissevain-van Tienhoven (geb. 1900, NP p.74, nr.IXh) verloor haar man BOB. In 1980 kreeg ze het Verzetsherdenkingskruis en, in Jeruzalem, de Yad Vashem medaille voor haar aandeel in het verzet (vader BOB ook postuum): het jarenlang verborgen houden (en voeden) van 4 joodse onderduikers en wat andere zaken, zoals het maken en verspreiden van ondergrondse nieuwskrantjes. GON Boissevain (geb. 1914, NP p.60, nr.VIIIb4) behoorde tot de duizenden Nederlanders die in Japanse gevangenkampen hebben geleden. Ze heeft over haar ervaringen geschreven in het boek “Vrouwenkamp op Java”.

Het sterke karakter van onze Franse voorouders is door de eeuwen heen blijven bestaan. Onze herinnering aan de doden is verweven met een gevoel van trots.

Charles Boissevain, Leidschendam, 25 februari 1991

(NP p. 75, nr. IXk)