Jaargang 1992, nummer 2

 

Voorwoord

Met veel genoegen nodig ik u hierbij uit voor onze volgende reünie. De datum is zaterdag 24 oktober 1992, 's middags van twee tot half zes. Ik hoop u dan te ontmoeten in de Oude Walenkerk te Amsterdam. Onze familie heeft veel banden met deze kerk. De zoon van onze stamvader Lucas, Jeremie, is er begraven evenals zijn vrouw. Ook de twee volgende generaties zijn er gedoopt, getrouwd en begraven. Van de daarop volgende generatie was Gedeon Jeremie er diaken en kerkmeester en nog in deze eeuw was er een Boissevain diaken. De kerk is al in 1586 aan de Waalse gemeente afgestaan. Omstreeks 1650 is hij flink verbouwd en vergroot. De afgelopen jaren heeft een algehele restauratie plaatsgevonden waarmee meer dan ƒ 5 miljoen gemoeid is; momenteel zijn de schilders en meubelmakers nog bezig. De kerk is nu weer in een prachtig originele zeventiende-eeuwse staat. Ik zal over de kerk en over de band met de Boissevains nog wat vertellen tijdens onze reünie. De kerk is gemakkelijk te vinden. Op de Dam, met de rug naar het Paleis, ziet u voor u een drukke straat: de Damstraat. Volg deze tot op de tweede brug (de Paulusbroederssluis). Volg de brug een klein stukje Oudezijds Achterburgwal naar rechts en dan komt u op het Walen­pleintje. Dat is een prachtig intiem pleintje waaraan de kerk ligt. Over het programma en de kosten zullen wij u nog informeren. Ik kan wel alvast mededelen dat ik U dan het nieuwe verjongde bestuur van onze familievereniging zal presenteren. Ook daarom al moet u zeker komen! Graag ontvangen wij zo spoedig mogelijk uw ingevulde aanmeldings­strook (zie laatste pagina van dit bulletin).

Ernst G. Boissevain

 

Richting Boissevain, Amsterdam en Bergerac

Misschien heeft het bestuur van de Boissevain-stichting je te lang in onzekerheid gelaten over onze - in het vorige bulletin zo beeldend beschreven - reis naar de geboortegrond van de Bouyssa­vy's. Excuses daarvoor, alhoewel we niet de indruk hebben dat er grote schade is aange­richt. Een aantal Bergeracfans belde op om te informeren of er nog wat op het programma staat voor april of oktober 1992 en aan hen konden wij dus al eerder meedelen, dat dat niet het geval is. En hierbij herhalen we dat nieuwtjes nog maar even. We haalden nog niet eens de helft van de benodigde 50 deelnemers om zo'n busreis enigszins betaalbaar te houden. Daar hebben we dus van afgezien, maar er zijn al weer nieuwe plannen in de maak. Allereerst attendeer ik je op een familiereünie, die Matthijs (Tice) G.J. Boissevain gedurende het week-end van 22/23 augustus 1992 in het Canadese plaatsje Boissevain organiseert. Zoals je wellicht weet bestaat in Canada (Manitoba) het stadje Boissevain (ca. 100 km. ten westen van Winnipeg, 100° WL, 49° NB). Het is genoemd naar Athanase Adolphe Henri Boisse­vain (Nederlands Patriciaat pag. 93), één der financiers bij de oprichting van de Canadian Pacific Railway. Het stadje heeft ons Boissevain familiewapen als stadswapen. Deze reünie is speciaal voor onze verre neven en nichten uit de States en Canada; ik begreep van hem, dat hij al zo'n beetje een hotel vol familiele­den heeft. Mocht je zin en tijd hebben om daaraan deel te nemen, vraag Tice dan om nadere informatie (216 Prospect Hill Road te Noank, CT 06340 USA, tel. 203 536-0505). Zoek je het dichter bij huis en had je je bioritme al afgestemd op een familie-activiteit in oktober, dan is onze reünie in Amsterdam op 24 oktober 1992 een "must". Ernst schreef daarover al in zijn voorwoord, dus zie aldaar voor de details. Maar het idee om eens naar Bergerac te gaan laat ons toch niet los. We doen het alleen wat minder georganiseerd en dat past ook wel bij ons. Eind juli 1993 hebben we in Bergerac op een zekere tijd een lokaliteit, waar familiele­den elkaar kunnen ontmoeten. Hoe je daar komt (als onderdeel van je vakantie of een week-end op en neer, per trein of auto) en waar je ver­blijft (hotel, camping, etc.) moet je zelf beslissen en regelen. Gewoon een gezellige avond met de mogelijkheid om 1 of 2 georganiseerde uitstapjes bij te wonen. De exacte datum wordt voorjaar 1993 vastgesteld, nadat Ernst daar nog wat nadere afspraken heeft gemaakt.

harles F.C.G. Boissevain

 

Chateau Monbazillac

In mijn stukje over de Bergeracreis in het vorige bulletin liet ik even de naam van Château Monbazil­lac vallen. Dit Château is de grootste wijnproducent en het paradepaardje van de streek. Het gehele gebied van de Cave Cooperative telt 876 ha. en in het midden daarvan ligt het 20 ha. grote landgoed van het eigenlijke château. Deze wijngaarden liggen enige kilometers ten zuiden van Bergerac. Opvallend is, dat ze op de noordelijke helling liggen en niet - zoals gebruikelijk - op een zuidhelling. De reputatie van deze wijnen was al in de middeleeu­wen groot. Met name die van de dessertwijnen, die op dezelfde wijze worden gemaakt als in de Sauternes. Men laat de druiven hier tot het eind van de herfst aan de wijnstok zitten, opdat ze door de "nobele" rotting worden aangetast en een deel van hun vocht kwijtraken. Hierdoor ontstaat er in de druif een concentratie van suiker, die bij de gisting niet geheel in alcohol kan worden omgezet. Dit levert een zoete dessertwijn op. Toch wordt deze wijn wel de "Sauternes van de armen" genoemd. Hij heeft in een goed wijnjaar inderdaad de volle zoetheid en rijkdom van een Sauternes, maar mist doorgaans de fijnheid ervan. De laatste jaren is de kwaliteit van de Monbazillac er echter op achteruit gegaan als gevolg van het feit, dat de wijnboeren de traditionele methodes van de selectieve oogst overboord hebben gegooid. De wijn is nu afkomstig van wijnstokken die worden gekweekt in de gemeenten Monbazillac, Pomport, Rouffignac, Colombier en een gedeelte van Saint-Laurent-des-Vignes. In hoeverre het museum in het Château Monbazillac - de geschiedenis ervan gaat terug tot circa 1100 - iets leert over onze voorvaderen zullen we in 1993 wel zien. In ieder geval is bekend, dat Jean Bouyssavy in 1642 twee wijngaarden in de beroemde Monbazillacwijnstreek - samen groot 1 ha. - bezat en dat deze onder andere werden begrensd door een wijngaard van zijn kleinkinderen.

Charles F.C.G. Boissevain

 

Wij blijven heerschen in Indië

"Wij blijven heerschen in Indië door dat springtij van jong Hollandsch bloed, dat jaarlijks naar de tropen opstijgt”

Deze uitspraak van Charles Boissevain in zijn boek Tropisch Nederland dateert van het begin van deze eeuw. De auteur geeft in zijn boek naar zijn zeggen uitdrukking aan de "hartelijke wijze hoe na wij zijn verbonden aan onze Oost, hoe Indië een deel van ons zelf, van ons verleden, onze tradi­tie, ons leven en onze eer is." Anno 1992 wijst Indonesië vooralsnog alle ontwikkelings­hulp, gefinancierd door de Nederlandse overheid, af. Indone­sië hekelt het "roekeloze gebruik van ontwik­kelingshulp als instru­ment van intimidatie of middel om Indonesië te bedreigen". Nederland veroordeelt de recentelijke openbare schending van de mensen­rechten in Oost-Timor. Indonesië herinnert Nederland aan een voor dat land buitenge­woon pijnlijk verleden, dat het gevolg is van eeuwen onmense­lijke koloniale onderdruk­king, alsmede barbaarse wreedheden begaan tijdens de onafhan­kelijkheids­oorlog, nog minder dan vijftig jaar geleden. De 350 jaar waarin Nederlanders geleefd, gewerkt en gevochten hebben in het eilandenrijk dat tegenwoordig Indonesië heet, hebben aan beide kanten sporen achtergelaten die wellicht nooit helemaal zullen verdwijnen. Na de Java-oorlog in 1830 werd Indië als kolonie eigendom van de Neder­landse staat. Het zogenaamde 'cultuurstelsel' bracht een radicale verande­ring teweeg in het dagelijkse leven van ontelbare Indonesiërs, vooral op agrarisch Java. Elke Javaanse boer werd verplicht een vijfde deel van zijn grond te bebouwen met produk­ten die het Nederlandse gouverne­ment van hem wilde hebben. Op deze manier viel het de bestuurders van de kolonie niet moeilijk de uitgaven laag en de inkomsten hoog te houden. Aan het moeder­land kon jaarlijks een 'Batig Slot' van vele miljoenen worden aangeboden. Tussen 1860 en 1880 beleefde de kolonie de ondergang van het gehate cultuurstel­sel en de opkomst van de grote ondernemingen: de suiker-, koffie-, thee- en tabaksplantages, de tin- en steenkoolmijnen en oliemaat­schappijen. De aanzet voor deze ontwik­kelingen was gegeven door de opkomst van het liberalisme in Nederland. Er werden wegen gezocht en gevonden om Nederland­se ondernemers in Indië aan grond te helpen. Banken en Handels­maatschappij­en verschaften het nodige kapitaal. Met de opkomst van de particuliere ondernemingen in Indië trokken na 1870 duizenden Nederlanders naar het eilandenrijk. In de jaren daarvoor waren het nog uitsluitend soldaten en avonturiers die naar Indië trokken. In de jaren na 1870 werd hun plaats ingenomen door planters, fabrieks­directeuren, boekhouders, schrijvers, bestuursambtenaren en opzichters. Onder hen een aantal van onze voorouders. De afstammelingen van Daniël Boissevain (Va, pag. 45) werden naar Indië gedreven door hun handelsgeest. De nakomelingen van Jean Henri Guillaume Boissevain (VIf, pag. 136) hebben voornamelijk in bestuurlijke zin een relatie met Indië. In dit artikel ga ik in op het ontstaan van de relatie met Indië van de nazaten van Daniël in de tweede helft van de vorige eeuw. Informatie hiervoor heb ik ontleend aan de boeken van Charles Boissevain (Tropisch Nederland en Onze Voortrek­kers), Maria (Mia) Boissevain (Een Amster­damsche Familie) en Walrave Boissevain (Mijn Leven). De handelstraditie van onze familie begon bij Daniël. Deze werd geboren in 1772 en huwde op 23-jarige leeftijd Johanna Retemeyer. Kort na zijn huwelijk overleed zijn schoonvader, die chef was van een groot handels­huis. Daniël nam na zijn overlijden de zaken over en associeerde zich met zijn oom M.J. Retemeyer en later met zijn zwager. De handel in Duitse linnen goede­ren, Franse wijn en granen bloeide, maar kende ook een dieptepunt in het begin van de vorige eeuw tijdens de Napoleontische overheersing.

Daniëls oudste zoon Gideon Jeremie (VIIa, pag. 52, zie foto) werd in 1796 geboren. Hij was reeds vroeg bij de firma van zijn vader in dienst en richtte na zijn dood een rederij op.

 

 

Mia Boissevain (VIIa9, pag. 54) schreef over haar grootvader: "Hij zag dat de zaken zooals zij tot nu toe gedreven waren, onder de veranderende omstandigheden verlies moesten brengen. Daartoe bracht hij op zee vlugge schoeners op de Levant en flinke barksche­pen voor de grote vaart. Deze prachtige zeilschepen, van welke o.a. de namen Jan Pieterszoon Coen, Bestevaer van Nederland en Oranje mij zijn bijgebleven, waren zijn trots. Een van zijn genoegens was om met zijn kinderen naar de Handelskade te wandelen om kapitein en bemanning bij aankomst te verwelko­men." Charles Boissevain schreef over zijn vader: "Elken ochtend als hij bij het ontbijt binnen kwam, ging hij uit het venster kijken naar het haantje op de Westertoren, want hij was afhankelijk van de wind... lagen er schepen in het Nieuwediep, die uitzeilen moesten, dan was Oostenwind onontbeerlijk." Gideons zoon Jan (VIIa, pag. 52), geboren in 1836, kwam op jonge leeftijd te werken op de rederij van zijn vader, waar hij al vroeg tot het inzicht kwam, dat de tijd van de zeilschepen aan een einde kwam. Jaren voor er sprake was van stoom­vaart naar Nederlands Indië, was hij reeds bezig met plannen voor het omvormen van de rederij van zijn vader naar een stoom­vaartlijn. Mia Boissevain schreef over haar vader: "Avond aan avond besteedde hij aan de bestudering dier plannen. Maar zijn vader had er weinig oren naar. Hij was gehecht aan zijn trotsche zeilschepen en het bedroefde hem, dat al de vakkennis en zeemanschap verloren zouden gaan." Jan Boissevain werd mede-oprichter en directeur van de Stoomvaartmaat­schappij "Nederland" die op Indië voer. De maatschappij werd in de eerste jaren van haar bestaan geconfron­teerd met scheeps­rampen. "De vreeselijke ramp van de "Willem III" die op de eerste uitreis op weg naar Southampton verbrandde, het vergaan van de "Koning der Nederlanden" in open zee, met wekenlange onzekerheid over het lot der bemanning, het waren rampen die bijna onoverkomen­lijk leken. Met dankbaarheid gedacht mijn vader altijd den eerevoorzitter der Maatschappij, Prins Hendrik der Nederlanden, die ter vergadering gekomen geen enkel woord van blaam uitte en alleen maar zeide: "Wij moeten weer vooruit." Hij voegde de daad bij het woord door een enorm kapitaal op de nieuwe leening in te schrijven", aldus Mia Boissevain. Jan Boisse­vain was lid van de Amster­damse Gemeenteraad en de Provinci­ale Staten van Noord-Holland en was mede-oprich­ter van de Amster­damsche Droog­dokmaat­schappij en tal van andere lichamen. Hoogtepunt in zijn leven vormt zijn aandeel in de oprichting van de Koninklijke Pakket­vaartmaat­schappij en de stichting van de Neder­lands-Indische Landbouwmaatschappij. De Koninklij­ke Pakketvaartmaat­schappij zou later drie grote passagierssche­pen voor de vaart naar China en Zuid Afrika vernoemen naar de oprichters van de maatschappij: Boissevain, Ruys en Tegelberg. Charles Boisse­vain schreef over zijn broer: "Wat heeft die Maatschap­pij Nederland, die nationale stoomvaart tusschen Nederland en Indië vestigde, een tegenspoeden gehad. De geschiede­nis van de onderneming herinnerde ons volk aan de bezwaren, die groote ondernemingen steeds te overwinnen hebben. Jan Boissevain had te werken in een land, dat van subsidies wars is en aan eigen initia­tief der burgers groote belangen overlaat. Dat is krachtwek­kend, zeker. Maar in de eerste plaats krachtei­schend! Men had noodig een organisatie in Neder­landsch-Indië met kantoren en agenten in al de havens langs Java's kust, van waar uit het binnenland het best bereikt werd. Men had noodig den steun van de regeering en volksvertegenwoordiging en het vertrouwen en de welwillendheid van den handel en van de reizigers naar Insulinde. De Regeering rekende steeds op de hulp van de Maatschappij, als in Atjeh of elders snelle bijstand noodig was en hielp haar indirect een weinig." Jans broer Jacob Pieter (VIa8, pag. 49), geboren in 1844, was chef van de firma Reiss & Co te Batavia. Jans zoon Walrave (VIIb, pag 59), geboren in 1876, bezocht op jonge leeftijd zijn Bataafse oom en schreef daarover: "In Batavia werd ik afgehaald door den bediende van mijn oom Jacob Pieter. Hij bewoonde een aardig huis aan de Molenvliet, had mij voor de helft daarvan afgestaan en voor uitstekende bediende gezorgd. Hoe hartelijk heeft mijn oom Jacob Pieter daar voor mij gezorgd. Hij introduceerde mij aan de tafel zijner vrienden en overal elders in Batavia en ik werd op de harte­lijkste wijze ontvangen." Walrave Boissevain werkte voor de pakket­vaart in Indië en schreef over zijn opdracht voor deze maatschap­pij: "Toen ik eenigszins wegwijs was geworden bij de K.P.M., kreeg ik de op­dracht, een inspectiereis door de Molukken te maken. Ik moest mij met de vertegenwoor­digers van de regeering, residenten, assistent residenten en controlleurs in verbinding stellen, om te informee­ren, of de gouvernements­diensten naar behooren werden uitge­voerd. Ik moest de kas en de boeken controlee­ren en met de plaatselijke handelaren overleg plegen, of zij ook wenschen en grieven hadden. Voor een éénentwintig-jarige dus een belangrij­ke opdracht." Jans broer Charles (VIIb, pag. 67), geboren in 1842, was schrijver en hoofdredac­teur van het Algemeen Handels­blad. Hij bezocht een aantal maanden Indië en schreef daarover in zijn boek Tropisch Nederland: "Een gevoel, dat jeugd ken­schetst, verheugde mij telkens in Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons." Naar het Nederlandse volk deed hij de volgende oproep: "Nu bid ik ernstig alle ouders om uw zonen gehuwd naar Indië te zenden. Geen opoffe­ring, die dit mogelijk maakt, is te groot. Regeering, help mee. Gij vrouwen, die leidt het machtige nieuwe vrouwenle­ven, helpt mede... be­grijpt! Wij blijven heerschen in Indië door springtij van jong Hollandsch bloed, dat jaarlijks naar de Tropen opstijgt. Maar laat toch vooral evenveel vrouwen naar Indië gaan! Dit geschiede bovenal terwille van het vaderland!"

Jan Willem F. Boissevain,

Wassenaar (NP p 142)

 

Wie is Michael Victor Boissevain te Tristan Da Cunha?

Zo af en toe heb ik het geluk, dat ik tegen een curiositeit betreffende onze familie aan loop. Ik weet van het bestaan van een postzegel met een afbeelding van de motor vessel Boissevain erop. Maar tot nu toe was ik door tijdgebrek met die wetenschap tevreden en met het "gerucht", dat deze roemrijke boot zijn laatste dagen heeft gesleten met het varen tussen Zuid-Afrika en Zuid-Amerika. Daarbij worden allerlei obscure eilandjes aangedaan en in de behoefte aan voedsel en wat dies meer zij voorzien. Over de levensloop van de boot vraag ik hierbij aan de lezer van dit geschrift onze familieleden eens nader te informeren. Stuur mij eens een briefje daarover voor het volgende Bulletin, volgens mij zijn er velen onder ons die daar meer van weten. Ik laat mij nu inspireren door het eiland en de postzegel.

Tristan da Cunha is een eilandengroep in de Atlantische Oceaan, circa 3.000 km ten westen van Kaap de Goede Hoop. De gezamenlijke oppervlakte bedraagt 185 km 2, waarvan het hoofdeiland Tristan da Cunha met zijn 98 km 2 het grootste deel in beslag neemt. De eilanden dragen de naam van de Portugees die ze in 1506 ontdekte, maar aan Jan van Riebeeck komt de eer toe ze in 1655 nader te hebben onderzocht vanuit de Kaapkolonie. In 1874 werden de eilanden formeel door Groot-Brittannië geannexeerd. Sinds 1938 behoren ze - onder een aparte administrateur - tot de Britse kroonkolonie Sint-Helena. De eilanden zijn van een vulkanische oorsprong en op Tristan da Cunha zelf staat een actieve vulkaan van 2.050 meter hoogte. Bewoonbaar is een klein plateau in het noordwesten. Op slechts enkele hectaren worden aardappelen, haver en gerst verbouwd. Voorts zijn er appel- en perzikbomen, er worden schapen en geiten gehouden en men vist op zeerobben. Kortom, echt iets voor een volgende familiebijeenkomst! Er is enkele malen per jaar een postverbin­ding met Kaapstad. Naar deze plaats en naar Engeland werd in 1961 tijdens de laatste grote vulkaanuitbarsting ook de voltallige bevolking geëvacueerd. De boten, die in de loop van de geschiedenis Tristan da Cunha - al dan niet in geregelde dienst - aandeden, vormen de navelstreng voor de eilanden. Ze vormden hun verbinding met de rest van de wereld. Al werden deze boten, waaronder ook die van de eerste koloniale machthebbers, werden in 1965 geëerd met een afbeelding in een serie postzegels. Het betreft hier de gewone uitgifte van 16 frankeerzegels. De zegel met de Boissevain erop is gedrukt in gravure diepdruk bij de Britse firma Bradbury & Wilkinson te New Malden (Surrey). Deze firma is bij ons bekend als de firma, die in 1944 de Nederlandse postzegels drukte ten behoeve van het reeds bevrijde zuiden. Het watermerk toont een meervoudige kroon van Sint Eduard en de letters CA; de zegel heeft in de breedte 11 tandjes en heeft in de hoogte 11,5 tandjes per 2 cm. De waarde-aanduiding bedraagt 2 shilling en 6 pence, maar sinds 1971 heeft de zegel een opdruk van 12,5 pence. Dit in verband met de overgang naar het decimale stelsel. Tot slot de kleur: de Britse vorstin is in oranje/bruin afgebeeld en de rest in zwart. Het zegeltje is gewoon bij een postzegelhandel te koop. En natuurlijk in het postkantoor te Tristan da Cunha. Wie stuurt mij daarvandaan een kaartje?

Charles F.C.G. Boissevain