Jaargang 1993, nummer 3

 

Voorwoord

Het is alweer een jaar geleden, dat we wat nauwer contact met elkaar hadden. Zo'n 50 Amerikaanse en Canadese Boissevains kwamen in augustus bijeen in het plaatsje Boissevain (Canada) en circa 75 familieleden troffen elkaar in de Oude Walenkerk in Amsterdam in oktober. In het Canadese plaatsje werd de gelegenheid aangegrepen om een kleurrijke muurschildering met "founder" Adolphe te onthullen. In de pas gerestaureerde Walenkerk waren we in de gelegenheid om het verdriet vanwege het verongelukken van Jolente met haar naaste familieleden te delen en hen daarmee tot steun te zijn. Voor de goede organisatie van beide bijeenkomsten zijn we dank verschuldigd aan resp. Tice en mijn voorganger Ernst. Ik zeg met nadruk "mijn voorganger", want de bijeenkomst in Amsterdam hebben we aangegrepen om wat wisselingen in het bestuur van de Boissevain-Stichting bekend te maken. Hoewel het hen niet is aan te zien, moesten Ernst en Bob vanwege het bereiken van een in de statuten vastgelegde leeftijd hun functie als voorzitter en penningmeester neerleggen. Bob blijft de nieuwe ploeg nog wat coachen. Hij houdt daarmee de band levend met het oude stichtingsbestuur (Ernst, Bob, Daan en Otto van der Aa), dat in de jaren '60 in de voetsporen trad van het door familiegenealoog Barthold in de jaren '30 in het leven geroepen en gehouden "Familieverband der Boissevains". Onze voorgangers hebben een aantal hoogtepunten gekend en wij zijn hen daar erkentelijk voor. Barthold bijvoorbeeld met het prachtige Groene Boek en Ernst met een volledig bijgewerkte genealogie in Nederlands Patriciaat 1988. De jaren '80 kenmerkten zich verder door de inventarisatie (en toenemende raadpleging door derden!) van ons 17 meter lange familiearchief, dat in het Amsterdams Gemeentear­chief berust, een aantal reünies en een toenemend contact met onze Amerikaanse counterpart Tice. De jaren '90 zijn we ingegaan met een nieuw Boissevain Bulletin, waarvan u nu alweer de derde jaargang in uw bezit heeft. Het nieuwe bestuur hoopt deze lijn door te kunnen trekken en publicaties m.b.t. de Boissevain familie te stimuleren. Met nadruk nodig ik u/jou uit hieraan bij te dragen: gooi geen familiepapieren weg maar voeg ze - via ons - toe aan het familiear­chief, schrijf eens een herinnering of familieverhaaltje voor het Bulletin, voed ons met een idee en geef een donatie, wanneer wij daartoe een oproep doen (meestal bij het verschijnen van een nieuw Bulletin). Op deze wijze hopen wij de belangstelling voor de geschiedenis van de familie en de onderlinge band bij de Boissevains weer voor een lange periode levend te houden.

Charles F.C.G. Boissevain

voorzitter

 

Telefonisch contact met Adolphe Boissevain (1843-1921)

Inleiding

Begin 1992 ontmoette ik Jeroen Boissevain (NP pag. 145 nr. IX ai), die met enige belangstelling voor de familie - en daarbij vooral het curieuze - via een veiling wat familiestukken had gered. Behalve dat deze "ware geest" leidde tot een nieuw bestuurslid voor onze stichting, leverde nadere studie van de papieren ook een leuk verhaal op. Het blijkt daarbij te gaan om contracten en correspondentie tussen Athanase Adolphe Henri Boissevain (NP pag. 93 nr. VII f) en de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (MBTM). Het gaat hierbij om de "buitennetaansluiting", die de NBTM voor Adolphe aanlegde tussen zijn huis Prins Hendriksoord te Lage Vuursche en de gemeente Amsterdam. Maar het gaat ook om de perikelen van een welgestelde particulier in de periode, dat de Staat steeds meer de telefoondienst overneemt van particuliere telefoonmaatschappijen. Reden om er eens in te duiken, waarbij ik aanteken dat ik alleen gebruik maakte van bij mij thuis beschikbare informatie.

De beginperiode van de telefoon in Nederland

Uit de vinding van Alexander Bell, het telefoonhoorntje uit 1876, was door toevoeging van een microfoon, een bel, een dynamo en enkele andere zaken een toestel gegroeid, dat ten algemene nutte kon worden geëxploiteerd. De eerste telefooncentrale werd niet lang daarna te New Haven (Connecticut) in de Verenigde Staten in gebruik genomen. De Nederlandse Staat zag de voordelen van dit apparaat eigenlijk alleen in het doorspreken van de al langer bestaande telegrammen. In de exploitatie van zoiets als een telefoondienst zag de overheid daarbij geen taak voor zichzelf. Particuliere initiatieven daartoe - onder concessie - lieten niet lang op zich wachten en Amsterdam beet de spits af. Uit een aantal aanvragen om een concessie voor het inrichten van een telefoonnet koos de gemeenteraad de International Bell Telephone Company als de meest geschikte voor de exploitatie. Deze droeg de concessies over aan de NV Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (NBTM), die intussen voor het aanleggen en beheren van telefoonnet­ten was opgericht. Op 1 juni 1881 werd als eerste in Nederland het Amsterdamse net in gebruik genomen, met 49 aangeslotenen. Later ontstonden ook in andere plaatsen particuliere maatschappijen.

Adolphe Boissevain en zijn “buiten-netaansluiting”

Mensen uit de wereld van handel en industrie, die buiten het concessiegebied van de lokale telefoonex­ploitant woonden, wensten echter ook in de telefoongemeenschap te worden opgenomen. Dit kon slechts door het maken van dikwijls lange verbindingen over het grondgebied van een aantal gemeentes en particulieren. Daarvoor was toestemming nodig van de betrokkenen en de nationale overheid. Het waren zgn. buitennetaansluitingen, dus geen verbindingen tussen lokale netten met een interlokaal karakter (daarvan was pas vanaf 1887 sprake). Bij een buiten-netaansluiting is sprake van een abonnee, die buiten het gebied van zijn lokale telefoonnet woont. Tot de eerste van deze lange verbindingen met het Amsterdamse net behoort die van A.A.H. Boissevain te Prins Hendrik­soord.

In 1885 toont de 43-jarige Adolphe belangstelling voor een telefoonaansluiting in zijn huis. Zijn drukke werkzaamheden in binnen- en buitenland (zie NP pag. 93) liggen hieraan ten grondslag. In december van het jaar krijgt de NBTM toestemming van de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid om de lijn aan te leggen. De NBTM moet hiervoor jaarlijks ƒ 100,- aan de Staat betalen. In juni 1886 is het contract tussen de NBTM en Boissevain rond. Adolphe krijgt in zijn huis een Bell-telefoon en Blake-overbrenger met trekapparaat. De overbrenger is genoemd naar Francis Blake, die een verbeterde versie van de eerste echte "microfoon" ontwikkelde en die op grote schaal in de eerste Nederlandse netten wordt toegepast.

Adolphe huurt de instrumenten, mag ze alleen ten eigen nutte gebruiken en moet er als een goed huisvader voor zorgen. De NBTM zorgt voor de verbinding met Amsterdam, het goede functioneren ervan en het onderhoud aan de toestellen in Prins Hendriksoord. Mocht de verbinding onverhoopt langer dan een maand niet functioneren, dan kan Adolphe 1/12 van het door hem verschuldigde bedrag terug ontvangen. Ze sluiten een contract voor 10 jaar af voor een bedrag van ƒ 700,- per jaar. In 1896 loopt het contract dus af. Dit is hetzelfde jaar waarin ook de concessie (om het lokale net te exploiteren) van de gemeente Amsterdam aan de NBTM afloopt.

Palen en dradenbundels: twee draden per verbinding zijn nodig om een optimale kwaliteit te bereiken. Deze lopen langs straten, spoor- en waterwegen. De plaatselijke lijnen waaieren in grote getale uit van de zgn. kooipalen en de op de daken van de huizen geplaatste dakstellingen. In veel gevallen is de wirwar zo groot, dat het geheel op een dicht spinneweb leek. Daarvan is in 1886 in Lage Vuursche natuurlijk nog geen sprake, maar de verbinding met Adolphe raakt zijn buurman wel. En dat is niet de minste: jhr mr P.J. Bosch van Drakestein, commissaris van de koning in Noord-Brabant en eigenaar van het naastgelegen landgoed Drakestein. De NBTM sluit met hem een contract voor het plaatsen van telefoonpalen op zijn landgoed ten behoeve van de verbinding met Prins Hendriksoord. Om de 60 meter komt er een paal te staan, waarvoor Bosch van Drakestein de lokaties moet aanwijzen. Jaarlijks ontvangt hij hiervoor van Boissevain een vergoeding van ƒ 100,-. Mocht de jonkheer echter ooit zelf ook een telefoonaansluiting willen hebben, dan kan hij gratis "aanhaken". De door hem te ontvangen vergoeding van ƒ 100,- voor Adolphe's palen vervalt dan wel!

De telefoon wordt populairder en profijtelijker in Nederland. Steeds meer beginnen de lokale en nationale overheden interesse te tonen in het zelf exploiteren van de netten. Dit gebeurt ook met het lokale telefoonnet van Amsterdam, dat in 1896 door de gemeente wordt overgenomen. Een jaar later neemt het Rijk het interlokale net over, waardoor de Rijkstelefoondienst ontstaat. Het is het jaar, waarin de 54-jarige Adolphe toetreedt tot het bestuur van het Burgerziekenhuis. Zijn dochter Gerardine, gehuwd met de Amsterdamse assuradeur Gerrit van der Aa en wonend in "Zomerlust" te Hilversum, krijgt in 1898 een telefoonaansluiting voor niet-openbaar gebruik met Prins Hendrikoord. Een belangrijk feit in de nieuwe eeuw is het in werking treden van de Telegraaf en Telefoonwet 1904. Deze wet geeft het Rijk meer armslag in de exploitatie van de telefonie, die in 1910 voor het eerst zelfs een batig saldo oplevert.

In 1918 wordt Adolphe het slachtoffer van alle veranderingen. Vijf jaar eerder is Drakestein - via de palen van Adolphe - aangesloten op het telefoonnet en volgens afspraak zou die aansluiting gratis zijn. Daarmee is de jaarlijks door Adolphe te betalen vergoeding van ƒ 100,-, voor de op zijn buurmnans landgoed geplaatste telefoonpalen, vervallen. Maar eind 1916 wordt er een Koninklijk Besluit van kracht, dat geen gratis aansluitingen meer toelaat. Bosch van Drakestein moet betalen en doet dat ook. Maar als compensatie eist hij nu ƒ 132,- per jaar vergoeding van Boissevain voor de op zijn landgoed geplaatste palen! In een pittige brief aan de directeur-generaal der Posterijen en Telegrafie laat Adolphe weten, dat dit geheel in tegenspraak is met de destijds gemaakte afspraken en dat hij hieraan niet tegemoet wenst te komen. Het antwoord van de minister bevestigt het tijdsbeeld. De snelle ontwikkelingen in het telefoonbedrijf in de afgelopen decennia hebben de oude afspraken over de private buitennetaansluiting van het lokale telefoonbedrijf NBTM achterhaald. De verbinding tussen Prins Hendriksoord en Amsterdam vindt tegenwoordig plaats via het interlokale telefoonnet en daarvoor moet het interlokale tarief worden betaald. Adolphe Boissevain is zijn exclusieve recht op een eigen telefoonverbinding kwijt en moet meegaan met de regels die gelden voor de vele duizenden die inmiddels ook een telefoonaansluiting hebben.

Charles F.C.G. Boissevain

BRONNEN:

Nederlands Patriciaat, 1988 (= NP);

Honderd jaar telefoon, 1881 - 1981;

Contracten en correspondentie met A.A.H. Boissevain (1886 - 1921).

 

Van Caroline naar Daniël en terug

Een paar jaar geleden ben ik door radio Noord-Holland geïnterviewd over de Boissevains in Amsterdam in de vorige eeuw. Met een journalist wandelde ik langs de verschillende huizen waar onze familie gewoond en gewerkt heeft. Een gedeelte van de route gaan we nu samen lopen, wandel maar mee.

We beginnen bij de Ronde Lutherse Kerk aan het Singel, vlakbij de brug naar de Haarlem­merstraat (als je van het station komt moet je een beetje rechts aanhouden). Ga in gedachten terug naar de eerste helft van de vorige eeuw. De kerk staat in brand! Het is één grote vuurzee. De paarden met de brandspuiten denderen langs. Sommige pakhuizen beginnen ook al vlam te vatten. De 23-jarige Caroline wordt bang. Ze woont daar in de buurt en is sinds een paar jaar getrouwd met Willem de Clerq, die later beroemd wordt als letterkundige, improvisator en zakenman. Ze is alleen thuis en vlucht. Vlug haar mooie hoed met een grote veer opgezet en daar gaat ze, door een regen van vonken, naar haar vader Daniël. Wij gaan haar achterna. Ze is misschien over de brug naar de Haarlemmerstraat gerend, over de brug naar links en dan de Brouwersgracht op. Het Melkmeisjesbruggetje gaan we voorbij, de volgende brug nemen we naar links en we zijn we op de Herengracht aan de even kant. Kijk even om je heen, dit is één van de mooiste plekjes van Amsterdam. Een paar jaar later was ze zeker het pand no. 40 binnengegaan, want daar werkte haar man als directeur van de Nederlandsche Handel Maatschappij, maar zover is het tijdens de brand nog niet. Caroline en wij lopen dus door.

Bij het huis no. 60 staan we even stil. In dit huis woonde later vader Daniël aan het einde van zijn leven. Ook zijn firma Boissevain & Co. was daar toen gevestigd. Tijdens de Franse overheersing is het een internationale handelszaak in granen, Duits linnen, Franse wijnen en voor zover aanwezig in koloniale waren en Engelse geweven stoffen. Vanaf 1820 komt de nadruk op de scheepvaart te liggen. Boissevain & Co. groeit uit tot een rederij met zeven schepen, die vooral op Indië varen.

 

Boven de deur van no. 60 zie je een basreliëf met een afbeelding van Lodewijk XIII, koning van Frankrijk. Dat is er natuurlijk niet door Daniël geplaatst maar door een vorige bewoner. Het pand is trouwens geen eigendom van Daniël, hij heeft het in huur. Het is veel groter dan je zou verwach­ten, want het loopt aan de achterkant achter het buurpand om en heeft aan de tuinkant een zaal van vijf ramen breed. Dit huis gaat na het overlijden van Daniël over op zijn zoon en opvolger in de firma Gédéon Jérémie. Hij maakt de rederij groot, ondanks moeilijke politieke omstandigheden. In dit huis ontvangt hij toonaangevende Amsterdamse families, maar ook de kapiteins van zijn zeilschepen. Zie zo'n zeebonk staan, net terug van de vaart op Indië. Hij komt verslag uitbrengen en hij heeft zijn ringbaard voor de gelegenheid keurig gekamd.

Maar Caroline is doorgelopen, immers in dit huis woonde toen nog geen familie. Wij komen langs het aardige huis 102 waar de in 1841 geboren Edouard een tijd gewoond heeft en even verder langs het fraai gerestaureerde huis 112 waar Guillaume, de jongste broer van Caroline, woon­de. Hij was de enige van de zes broers, die geen eigen zaak had. Wij komen alle broers in dit verhaal tegen: Gédéon Jérémie, Daniël II (de II ter onderscheiding van zijn vader Daniël), Charles Faber, Eduard Constantin, Henri Jean Arnaud en Guillaume.

We gaan verder, eerst langs het foeilelijke pand 124, dat in de plaats is gekomen van het mooie grachtenhuis waar Gédéon Jérémie zijn laatste jaren heeft gesleten. Nu gaan we langs de Leliegracht en komen bij Herengracht 168, thans het Theatermuseum. Aan het einde van de vorige eeuw woont daar Mijnhart, zoon van Daniël II en bankier in ruste vanaf zijn veertigste jaar. Zoals verschillende andere Boissevains in die tijd woont hij alleen 's winters in Amsterdam, 's zomers woont hij buiten. Het huis is gebouwd door de beroemde 17de-eeuwse architect Vingboons. Kijk even hoe schitterend het ligt in de bocht van de Herengracht. De voordeur staat open. Zie de binnenkant van de deur: een kunstwerk van wit en koper.

Aan de overkant stonden toen natuurlijk niet de lelijke kantoren van nu, maar grachtenhui­zen. In één van die huizen ging de firma Boissevain & Kooy, ook een rederij en handelszaak, van Charles Faber van start. Deze jongere broer van Gédéon Jérémie was getrouwd met een meisje Kooy. Haar vader had in het huwelijk toegestemd op voorwaarde dat Charles het schip in de firma zou inbrengen, dat juist voor de firma Boissevain & Co. was gebouwd. Aldus geschiedde, maar wel met enig hartzeer bij Gédéon Jérémie!

Wij steken de Raadhuisstraat over en vervolgen onze weg langs de Herengracht. Wij kijken naar de overkant. Daar bevindt zich het grote pand 237-239 (acht ramen breed) dat momenteel leeg staat. Vanaf 1886 is de firma van Adolphe Boissevain er gevestigd. Adolphe (ook een zoon van Daniël II) was een groot bankier, hij is de naamgever van het stadje Boissevain in Canada. De geschie­denis daarvan is, dat de spoor­wegmaatschappij Canadian Pacific haar spoorlijn van oost naar west weer een stukje verder naar het westen wilde uitbreiden. Adolphe heeft samen met twee anderen voor de financiën gezorgd.

 

Uit dankbaarheid zijn toen de drie volgende haltes naar de drie bankiers vernoemd: Boissevain, Pierson en Tegelberg. De firma van Adolphe is uitgegroeid tot het bankiers­huis Pierson en als ik mij goed herinner was Pierson tot voor kort nog in het pand gevestigd. Adolphe woonde later op Prins Hendriksoord in de Lage Vuursche. Van hem gaat het verhaal, dat hij, toen de automobiel zijn entree in Neder­land maakte, al zijn twaalf rijtuigen en karossen verving door twaalf auto's. Een mens moet met zijn tijd meegaan, nietwaar.

Wij wandelen weer verder. Op no's 316, 320 en 324 hebben ook Boissevains gewoond, voor kortere tijd. Het was toen heel gewoon om te verhuizen, maar in de vorige eeuw bleven onze voorouders dezelfde omgeving trouw.

Kijk, daar in de verte zien we Caroline op de stoep van het huis van haar vader staan. Ze ziet er wat verfomfaaid uit, de veer op haar hoed is half verbrand! Het is het huis no. 370 even voorbij de Huidenstraat. Het maakt deel uit van de "Cromhouthuizen" die door de architect Vingboons gebouwd zijn. Het is een groot huis, de tuin loopt door tot op de Keizersgracht waar Daniël's magazijn lag. Eerlijk gezegd ben ik een beetje aan het smokkelen want hij was al verhuisd naar Herengracht 184 voordat Caroline voor de brand vluchtte, maar dit huis bestaat niet meer - vergeef het me dus maar. Toen hij verhuisde gingen mee:"1 schuit met Koopmansgoederen en 1 dito met gladde Goed", want ook een firma was aan zijn huis gevestigd.

 

Wij komen nu aan het pronkstuk van de Boissevain woningen: no. 386, ook in een bocht van de Herengracht, een breed, monumentaal huis. Hier woonde Jan Boissevain, zoon van Gédéon Jérémie en de medefir­mant in de rederij en de handelsfirma Boissevain & Co. Maar de rederij bezat alleen zeilschepen en vooral toen het Suezkanaal was gegraven waar slechts stoomschepen doorheen mochten had de zeilvaart het moeilijk. Jan heeft dit ingezien, heeft de zeilschepen verkocht en de handelszaken beëindigd.

 

Hij heeft een leidende rol gespeeld bij de oprichting van de Stoomvaart Mij in Nederland, waarbij hij met een enorm doorzettingsvermogen en grote overredings­kracht de ernstige aanloopmoeilijkheden heeft weten te overwinnen. Hij had ook ingezien dat de tijd van de kleine rederijen voorbij was. Een belangrijk man! Wij lopen nu niet door naar de Leidsestraat maar we gaan rechtsaf de Leidsegracht op en dan naar Keizersgracht 482. Hier woonde Gideon, ook een zoon van Daniël II, in die dagen een bekende econoom en oprichter van de Kas-Vereniging, welke bank nu Kasassociatie heet. Hij was ook betrokken bij de Banque de Paris et des Pays Bas.

Wij komen langs het aardige Molenpad. Aan de overkant woonde het echtpaar Gildemees­ter-Boissevain, een zusje van onze Caroline. Even verderop aan de oneven kant van de Keizersgracht, op no. 321, woonde Walrave, wethouder van Amsterdam, maar dat was al in deze eeuw.

Op no. 221 bevond zich de firma Gebrs. Boissevain, commissionairs in effecten, opgericht door twee jongere broers van Caroline en van Gédéon Jérémie: Daniël (II) en Eduard Constantin. Deze tweede Daniël voelde zich op den duur meer aangetrokken tot de verzekeringswereld.

Op dit terrein was ook zijn jongere broer Henri Jean werkzaam onder de firma H.J.A. Boissevain en Zoon, assurantiebezorgers. Hij en zij firma waren gevestigd op no. 143. Later was het eigendom van zijn zoon Prof. Ursul Boissevain, hoogleraar in de oude Geschiedenis en Romeinse Antiquiteiten in Groningen. Het huis is tot 1930 in de familie gebleven. Een mooi gobelinbehang uit dit huis hangt nu in het Haags Gemeentemuseum.

Aan het eind van onze wandeling staan we even stil bij no. 133 waar Gebrs. Boissevain ook een tijd gevestigd was. Eduard Constantin woonde boven en onder de zaak, met dien verstande dat het personeel op het souterrain huisde. 's Zomers woonde hij in Hilversum. Ook zijn zoon Willem woonde aldus. Het betekende dat er twee maal per jaar verhuisd werd. De familie reisde met de trein. Het personeel vervoerde de bagage, waaronder de serviezen en het tafelzilver, met de trekschuit. Als je dan bedenkt dat Willem twaalf kinderen had en dat er altijd wel een nurse en een nanny waren, dan betekende het een aardige kleine volksverhuizing.

We eindigen bij het Huis met de Hoofden, no. 123. Dit is geen Boissevain huis, maar hier was de Openbare Handelsschool gevestigd, dé opleiding voor jonge Bois­sevains die voor het bedrijfsleven voorbestemd waren, tot in het begin van deze eeuw. Dat het niet zo'n slechte opleiding was, is denk ik duidelijk geworden. Hier nemen we afscheid.

Ik loop nog even langs Herengracht 540, want daar heb ik jaren lang gewoond. Daaraan heb ik vele prettige herinneringen!

Ernst G. Boissevain