Jaargang 1994, nummer 4

 

Voorwoord

Het afgelopen jaar is het bestuur van de Boissevain-Stichting driemaal bijeen geweest en dan komt er van alles aan de orde. In het achterhoofd speelt al heel lang het idee om een familiereünie te houden in de Franse plaats Bergerac. In de omgeving van deze plaats in de Dordogne immers liggen de wortels van onze familie. Het zou een goed idee zijn om daar de sfeer en de wijn eens te proeven en de stoffelijke bewijzen (ar­chiefstukken, grafzerken en landerijen bijvoorbeeld) van de aanwezigheid van onze voorouders eens te bekijken. Ik veron­derstel dat het bij elke Boissevain bekend is, dat "wij" daar al in de vijftiende eeuw leefden. Toen nog onder de namen Bouyssavy, Boissavin en/of varianten daarop. Tot nu toe is het voor ons praktisch onmogelijk gebleken om zo'n reis in georganiseerd verband te doen. Maar gelukkig hebben we een leuke tussenop­lossing gevonden. Oud-bestuursvoorzitter Ernst (Nederlands Patriciaat 1988, pag. 111, nr. IXr) heeft begin dit jaar het gebied voor ons verkend en uitgebreid beschreven. Zijn dochter en huidig bestuurslid Anneke heeft deze tekst omgewerkt tot een route, die iedereen op eigen gelegenheid in dit gebied kan afleg­gen. De tekst daarvan verschijnt in het volgende nummer van dit Bulletin. 1994 stond weer in het teken van ons familiearchief, waaraan in het Gemeentearchief van Amsterdam druk is gewerkt door de heer Pechar. Het bestuur heeft daar een "inspectiebezoek" afgelegd en gezien dat het er goed en geïnventariseerd bij staat. Klaar voor gebruik zou ik zeggen en in toenemende mate gebeurt dat ook. Als meest recente en markante voorbeeld is het gebruik ervan voor een tentoonstelling en publicatie over Mies Boissevain - van Lennep, die in het Zuid-Hollands Verzetsmuseum in Gouda werd georganiseerd. Bezoek het Gemeentearchief eens en vraag eens wat oude stukken op, er zit echt veel bijzonders in! In dit Bulletin kunt u een klein stukje eruit proeven. De enorme variatie in materiaal toont aan dat niet te vlug iets moet worden weggegooid. Hopelijk bent u ook eens in de gelegenheid om wat materiaal te schenken. Een andersoortige bijdrage om de geschiedenis van de Bois­sevains levend te houden, is een financiële bijdrage. Het bestuur streeft naar een wat grotere financiële armslag, zodat wij ook in staat zijn wat meer te doen. Wij rekenen op u in deze. Het bestuur wenst u veel leesplezier met dit vierde Bulletin.

Charles F.C.G. Boissevain

voorzitter Boissevain-Stichting

 

Stoomschip Boissevain van binnen uit

In het Boissevain-Bulletin van 1992 schreven Jan Willem en ik allebei iets met betrekking tot het stoomschip "Boisse­vain". Jan Willem's verhaal speelt zich meer af tegen de achtergrond van de Stoomvaart Maatschappij Nederland en de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij, waarvan Jan Boissevain in 1870 respectievelijk 1888 mede-oprichter was. Ondergetekende schreef over het eilandje Tristan da Cunha, dat door het bejaarde schip nog van voorraden werd voorzien. Het belang van dit laatstgenoemde leidde 30 jaar geleden tot de uitgifte van een postzegel, waarop de "Boissevain" staat afgebeeld.

Een tentoonstelling en publicatie over de kunstenaar Carol Adolph Lion Cachet, in 1994 130 jaar geleden geboren, zet mij ertoe aan op een geheel ander aspect van dit schip terug te komen. De Maatschappij Nederland en haar dochtermaatschappijen kregen in de eerste decennia van deze eeuw grote bekendheid door de prachtige interieurs van de passa­giersverblijven, die door Lion Cachet zijn ontworpen. Over zijn betrokkenheid bij de "Boissevain" gaat navol­gend artikeltje. In 1929 kwam een paradepaardje van de Stoomvaart Maatschappij Nederland gereed: de "Oldenbarnevelt". Maar het was ook het jaar van de catastrofale ineenstorting van de New Yorkse beurs. De depressie in de handel en scheepsbouw raakte ook de Maatschappij Nederland en de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij, die weinig of niets op stapel hadden staan. Voor Lion Cachet brak een financieel onzeke­re periode aan, die tot 1936 duurde.

In dat jaar nam de KPM het besluit om de ontoereikende schepen op de lijnen tussen Azië, Java en Afrika te vervangen door drie snelle motorschepen met elk drie schroe­ven. De schepen werden ver­noemd naar Jan Boissevain, Willem Ruys en Petrus Emilius Tegelberg, de drie mannen die in 1888 besloten de KPM op te richten en die met de regering een contract afsloten voor het onderhouden van scheepsverbindingen in de Nederlands Oostindische Archipel. Lion Cachet werd aangesteld als adviseur van de chef van de afdeling scheepsbouw, voor de binnenbetimmering en de hutteninrichting van de drie zusterschepen. Hij had de supervisie over de inrichting van deze boten, maar de invulling van deze werkzaamheden verschilde. De salons van de "Tegelberg" ontwierp hij zelf, terwijl de "Ruys" geheel door meubileringsfirma's werd ingericht. De "Boissevain" werd geheel toevertrouwd aan Bruno Paul, een Berlijnse ontwerper waarmee Lion Cachet nauw contact onderhield. Lion Cachet deed soms zelfs zeer gedetailleerde voorstellen voor de uitvoering van bepaalde onderdelen en kocht ook materialen in voor de inrichting van het schip. Zo bijvoorbeeld de gordijnen bij de tex­tielfabriek E.J.F. van Dissel & Co te Eindhoven. Meerdere malen bezochten beiden de Duitse werf Blohm & Voss te Hamburg, waar de "Bois­sevain" werd gebouwd. Duitse artiesten voerden de inrichtings­plannen uit, die door hen werden aange­reikt. In de decoratie van de "Boissevain" was een van de "Tegel­berg" en "Ruys" afwijkende techniek te zien met lichte kleuren en speciale aandacht voor de ver­lich­ting om een perfecte harmonie te bewerkstelligen. Alle drie schepen hebben een winkelkast gemaakt van de hout­soor­ten, die uit Indië afkomstig zijn: ijzerhout, marawan, kamferhout, bankirai en teak, terwijl op de "Boissevain" ook nog ebbenhout, nani en walikoekoen werden gebruikt. In deze vitrineachtige win­kelkas­ten stonden voorwerpen uit China, Indië en Afrika en voorwer­pen gemaakt uit Indische houtsoor­ten.

n het werk van Lion Cachet zijn invloeden herkenbaar van de Nieuwe Kunst en later de Amsterdam­se School en Art Déco. Toch is zijn stijl in o.a. zijn grafiek, meubel-en postzegelontwerpen, ceramiek en zeker zijn ontwerpen voor scheep interieurs altijd onafhankelijk geweest. Zijn eerste scheepsinric­ting was meteen een succes en de daarop volgende projecten hebben vrijwel alle steeds unaniem lof geoogst. Wij kunnen dus de inte­rieurs voor de "Boissevain" in deze lofuitingen be­trekken.

Charles F.C.G. Boissevain

Literatuur:

  •      M.S."Boissevain"-M.S."Ruys"-M.S."Tegelberg". Uitgave K.P.M. Line (Amsterdam/Batavia), 1938.
  •      C.A. Lion Cachet, 1864-1945. Uitgave Drents Museum (Assen) en Museum Boymans-van Beuningen (Rotterdam), 1994.

 

Mijn geliefde bedgenoot

Sprokkeling uit ons familiearchief

Binnen een jaar na zijn huwelijk met Marquérite Quien werd Gedeon Jeremie Boissevain (Nederlands Patriciaat 1988, pag. 43, nr. IV) een dochter geboren. Hij gaf hieraan bekendheid via een gedicht, dat later door zijn schoonzoon Carel Faber bij zijn nalatenschap werd aangetroffen. Carel Faber om­schrijft het gedicht in ons familiearchief als volgt:

Bericht in Poësij van den Heere G.J. Boissevain, weegens de Bevalling van Zijn Ed. Huisvrouw Mevrouw M.M. Quien - van hunne Eersteling & mijne nooit Vergeette geliefde Zielsvrien­din M.C. Boissevain gebooren 28 maart 1768 - zijnde dit Ge­dicht met Antwoord gevonden onder de dichtlievende Entspannin­gen van mijnen Altoos Hoog Geeerde Schoonvader. Het gedicht biedt een prachtig tijdsbeeld en de eerste vijf regels willen wij u niet onthouden:

De Aartsgoedheid schonk mij uit de Schoot

van mijn Geliefde Bedgenoot

Een frisschen Zoomertelg, van de Almacht afgebeeden

Dus zie ik mijne min ten Loon

Een Parel aan onsen Huiselijke Kroon.

 

Belangwekende Boissevain vrouwen

Verscheidene mannelijke Boissevains hebben in de samenleving na 1870 vooraanstaande posities ingenomen. Te denken valt o.m. aan Jan, Walrave, Charles, Dr.Charles E.H., Gi M., Adolphe en Prof.Dr.Ursul Philip (in Nederlands Patriciaat 1988 vermeld op resp.de pagina`s 52, 59, 67, 69, 88, 93 en 130). Ook vrouwen van Boissevains hebben echter een belangrijke rol gespeeld. In het bijzonder genoemd kunnen worden: in Nederland de vrouw van Dr.Charles E.H..: Marie B.Pijnappel (p.69) en vooral ook de vrouw van Jan Canada zoals hij doorgaans naar zijn geboorteland werd genoemd: Mies (Adrienne Minette) van Lennep (p.56); in Amerika de 2 vrouwen van Eugen (p.69): Inez Milholland en Edna St.Vincent Millay. Drie van hen waren duidelijke feministes, zij het op zeer uiteenlopende wijze.

Marie Barbera Boissevain-Pijnappel (1870-1950)

was een der vermaardste voorvechtsters van vrouwenkiesrecht in Nederland. Dat zij moeder was van 10 opgroeiende kinderen belette haar niet een der oprichtsters te zijn van de Bond voor Vrouwenkiesrecht, waarvan ze na enige jaren voorzitster werd. Terstond na de invoering van vrouwenkiesrecht in 1919 werd haar gevraagd zitting te nemen in de 2e Kamer. Dit weigerde zij, maar wel werd zij als no.1 van de lijst van de Vrijheids­bond (voorloper van de VVD) gekozen in de Provinciale Staten van Noord-Holland, waarvan ze 20 jaar lang (tot haar 69e jaar) lid bleef. Met haar rustig optreden en zakelijke betoogtrant bekeerde zij zelfs vele mannen tot gezond feminisme. In tegenstelling tot haar zeer extraverte echtgenoot Dr.Charles E.H. was zij erg introvert en ze kwam vaak nogal stijf over. Toch herinner ik me uit haar laatste levensjaren eens een hartstochtelijk meeleven met een radiorapportage van een voetbalwed­strijd Holland-België.

Inez Boissevain-Milholland (1886-1916)

was advocate in New York van deels Ierse, deels Schotse afkomst, vermaard feministe en journaliste. Terwijl zij zich enerzijds uitdagend een socialiste noemde en graag in kringen van radicalen en bohémiens verkeerde leefde zij anderzijds het society leven van een meisje uit de "betere" kringen en ontving in haar huis tal van beroemdheden en bekende personen. In de 1e Wereldoorlog was zij enige tijd oorlogscorrespondente in Italië, maar werd het land uitgestuurd wegens onvriendelijk geachte pacifistische artikelen.

Haar grootste bekendheid kreeg zij evenwel als vooraanstaand voorvechtster van het vrouwenkiesrecht in Amerika. Haar fanatieke activiteit op dit gebied werd haar uiteindelijk fataal. Ondanks ernstige ziekte hield zij een vermoeiende tournee naar de Westkust waar grote weerstand tegen een federaal amendement inzake vrouwenkiesrecht bestond. Zij stortte in en overleed korte tijd later, nauwelijks 30 jaar oud.

 

Edna St.Vincent Boissevain-Millay (1892-1950)

was de 2e vrouw van Eugen. Zij was in Maine geboren en getogen en in haar college-jaren een groot bewonderaarster van Inez Milholland. Als een der bekendste Amerikaanse dichteressen heeft zij een indrukwekkend uitgebreid oeuvre. Als kind wilde zij pianiste worden maar zag daarvan af wegens te kleine handen. Reeds als 14-jarig meisje publiceerde zij gedichten. Om geld te verdienen schreef zij gedurende enige tijd voor een tijdschrift onder het pseudoniem Nancy Boyd.

Toch had zij al voor haar huwelijk vele dichtwerken geprodu­ceerd waarvoor zij o.m. de Pulitzer prijs kreeg. Daarna begon de periode van haar grootste populariteit. Deze nam echter af naarmate zij zich minder liet leiden door haar grote lyrische gaven waarin haar kracht lag en meer door sociale bewogenheid. In 1940 verzette zij zich met een harer werken "Make Bright the Arrows" tegen de isolationistische tendenzen in de V.S. en in 1942 schreef zij voor de radio een fel anti-nazi stuk: "The Murder of Lidice".

 

Mies (Adrienne Minette) Boissevain-van Lennep (1896-1965)

is ongetwijfeld de indrukwekkendste vrouw in onze familie geweest: zeer actief in de jaren dertig, zwaar beproefd in de 2e Wereldoorlog en daarna opnieuw vol bruisende energie. Levenslust, humor en snedigheid behoorden tot haar karakteristieken. Met het motto "Gezondheid + Schoonheid = Levenslust" exploiteerde zij hoog boven in het grote grachtenhuis in Amsterdam waar Jan en Mies met hun 5 kinderen tot 1939 woonden een beauty parlour. Voor de vrouwen die zich daar door haar lieten behandelen was 4 trappen beklimmen kennelijk geen bezwaar! In diezelfde periode was zij politiek actief in de vrouwenbeweging. Samen met enkele andere vrouwen richtte zij een Jongeren Werk Comité in de Vereniging voor Vrouwenbelangen op om deze laatste nieuw leven in te blazen. Mies trok daarbij de aandacht met haar berijmde toespraken op bijeenkomsten en vooral met haar geregeld in het weekblad De Groene Amsterdammer gepubliceerde limericks waarin zij zich op geestige en rake wijze verzette tegen onrecht. Befaamd werd haar actie tegen een voorstel van de katholieke minister Romme om vrouwenarbeid als zijnde "onnatuurlijk" en onwenselijk wegens de grote werkloosheid te verbieden.

De 2e wereldoorlog begon zijn schaduwen vooruit te werpen. Mies raakte betrokken bij de opvang van joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland en zelfs nog in de oorlog bij het in veiligheid brengen van joodse kinderen. De oorlog bracht diepe ellende: haar 2 oudste zonen Janka en Gi (pag.56) werden in 1943 door de nazibeulen gefusilleerd, haar echtgenoot Jan bracht meer dan 3 jaar in diverse concentratiekampen door (Amersfoort, Vught en Sachsenhausen) en overleed in Buchenwald, haar 3e zoon Frans overleefde de concentratiekampen Vught en Dachau. Zelf overleefde zij de kampen Vught en, zij het ternauwernood, Ravensbrück waar zij driemaal van de gaskamers werd gered. Echtgenoot Jan was al in 1941 gearresteerd wegens het zaken doen met een joodse relatie, na enkele weken vrijgelaten, maar kort daarna opnieuw opgepakt. Het huis waarheen de familie eind 1939 was verhuisd werd geleidelijk een belangrijk centrum van verzets- en sabotage activiteiten: onderduikadressen voor joden en anderen werden geregeld, voor vermommin­gen en valse identiteitsbewijzen werd gezorgd en bomaanslagen en andere verzetsactiviteiten werden er voorbereid. De kelder van het huis was een arsenaal van wapens en explosieven. Vele jaren na de oorlog, in 1962, vond een loodgieter er bij toeval en tot zijn grote schrik in een buis nog genoeg springstoffen om heel Amsterdam mee op te blazen! Janka en Gi waren hier tezamen met andere verzetsmensen, als groep bekend onder de naam CS-6, nauw bij betrokken. De oorsprong van deze codenaam is overigens onzeker. Veelal denkt men dat deze is ontleend aan het huis (Corelli Straat 6), maar volgens andere bronnen was er sprake van afdeling 6 van een internationaal opererende verzetsorganisatie Centre de Sabotage.

In augustus 1943 sloeg de Sicherheitsdienst toe: Mies en haar 3 zonen (de 2 dochters waren gelukkig niet thuis) en nog 70 anderen werden gearresteerd. Op 1 october werden Janka, Gi, achterneef Louis (pag.128) en nog 16 andere tot de groep behorende verzetsmensen in de duinen bij Overveen gefusilleerd. De nacht tevoren had Janka in een der muren van zijn gevangeniscel nog onze familiespreuk gekrast: "Ni regret du passé, ni peur de l`avenir"! Mies en zoon Frans belandden in concentratiekamp Vught, waar Mies te werk werd gesteld in het "ziekenhuis". Als "Zuster Mammie" werd zij bekend bij vele gevangenen die zij er heeft kunnen helpen. Onder hen ook haar echtgenoot Jan die zij 1 jaar niet meer had gezien en mijn vader Bob die na folteringen en 9 maanden eenzame opsluiting in Scheveningen in slechte conditie in Vught arriveerde. In september 1944 werd het kamp ontruimd. Mies werd overgebracht naar Ravensbrück, een vernietingskamp waar de mensonterende omstandigheden nog honderd keer erger waren. Ook daar verzorgde zij zieken maar doorstond ook zelf zware ziekten.

Eind april 1945 werd zij, doodziek en nog slechts 33 kg.wegend, met een ziekentransport van het Rode Kruis naar Zweden gebracht. Enkele maanden later kwam ze terug in Nederland, fysiek weer wat bijgespijkerd en 20 kg aangekomen, maar bovenal mentaal ongebroken en weer vol sprankelende energie en snedige humor. Natuurlijk hadden de kampperiode en de doorstane beproevingen hun sporen nagelaten, maar ook in positieve zin. Zo had zij de waarde van solidariteit onder de kampvrouwen ervaren. Zij trachtte hieraan op verschillende en originele wijze vorm te geven, zij het niet steeds met blijvend succes. Ze vond dat er meer specifiek vrouwelijke invloed in het openbare leven nodig was. Met alleen vrouwelijke inbreng in de traditionele politieke partijen zou dat niet te verwezenlijken zijn en daarom richtte zij een vrouwenpartij op "Praktisch Beleid", gebaseerd op eensgezindheid tussen alle lagen in de samenleving. Voor de publiciteit maakte zij ook nu weer gebruik van snedige limericks. De meeste kiezers vonden de ideële gedachte echter te vaag en de verkiezingen eindigden in een fiasco.

Eveneens uit de ervaring van eenheid op een ondergrond van (vrouwelijke) verscheidenheid sproot haar idee van de "Nationale Feestrok" voort. Tijdens haar gevangenschap had Mammie Mies een dasje toegestuurd gekregen gemaakt van lapjes, kledingstukken van familieleden en vrienden, waarmee speciale herinneringen boven kwamen. Het zou aardig zijn als iedere vrouw een kleurige rok zou dragen, gemaakt van allerlei lapjes met een emotionele lading en al dan niet geborduurd met namen en/of data. Iedere vrouw zou dan een unieke rok - een typisch vrouwelijk kledingstuk - hebben, die toch ook eenheid in verscheidenheid zou symboliseren. De rok zou vooral op nationale feestdagen moeten worden gedragen. Er werd zelfs een feestrok-lied geschreven. Om de rok te promoten reisde Mies niet alleen heel Nederland door, maar ging ook naar de Verenigde Staten. In de Amerikaanse pers verschenen zelfs enthousiaste artikelen. Na enkele jaren was de hele gedachte echter weer vergeten.

Mies Boissevain-van Lennep was een unieke vrouw. Aan haar leven werd in het voorjaar van 1994, onder de titel "Heden, Verleden, Blijmoedig gedragen", een tentoonstelling gewijd in het Zuidhol­lands Verzetsmuseum in Gouda. Deze boeiende tentoonstelling zal in 1995 - 50 jaar na de 2e Wereldoorlog - te zien zijn in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Robert Lucas (Bob) Boissevain (pag.74 Ned.Patr.1988)

Bronnen:      

  • Notable American women, a biographical dictionary;
  • Els Meulendijks: "Heden, Verleden, Blijmoedig gedragen", met daarin andere bronnen, w.o.geschriften van Jolande Withuis;
  • Persoonlijke herinneringen.