Jaargang 1995, nummer 6

 

Voorwoord

Het gaat goed met de Boissevain-Stichting! Zo aan het eind van 1995 kan en mag ik deze uitroep wel doen. Onze vraag om kopij voor het Bulletin en om financiële steun voor onze Stichting is ruim beantwoord. Voor wat de ingezonden artikelen betreft, kunt u de resultaten in voorliggende aflevering zelf lezen en de auteurs wordt bij deze hartelijk dank gezegd. We houden ons aanbevolen voor nog meer korte en bondige familie anekdotes of stukjes die ons nader informeren over onze familiegeschiedenis. Ook moet dank worden gezegd aan de gulle gevers, die met hun overboekingen, cheques en cashbetalingen de stichtingskas hebben gespekt. Daarmee is het voor ons mogelijk nu ook meer activiteiten te gaan ondernemen. Met het speciale Bergerac-nummer konden wij een extra aflevering van het Bulletin in 1995 realiseren en momenteel bereiden wij een Boissevain-stropdas en een familiereünie voor. Over beide zaken hopen wij u binnenkort nader te informe­ren. Maar ook hebben wij nu de verplichting op ons genomen om jaarlijks (met ingang van volgende aflevering) verantwoording af te leggen over de financiële stand van zaken. Hopelijk kunnen we daarin uw bijdrage voor 1996 verwerken, waarvoor u binnenkort een acceptgiro (en de niet-Nederlanders een speciale brief) krijgt toegestuurd. Een ander opmerkelijk feit in 1995 was de reünie in Bergerac in juli. Hieraan werd uiteindelijk door 15 familieleden deelgenomen: misschien wat weinig maar het onderlinge genoegen en het "historische gevoel" was er niet minder om. Tot slot maak ik u opmerkzaam op twee zaken, waarop u zelf actie dient te ondernemen. Allereerst heeft onze counterpart in Connecticut (USA), Tice, zijn overzicht van alle afstamme­lin­gen van Lucas Bouissavy gereed en elders in dit Bulletin kunt u lezen hoe u aan een exemplaar kunt komen. Van harte aanbevolen! En verder is het mogelijk om uw voorkeur aan te geven voor de taal waarin dit Bulletin verschijnt. Wij versturen een Nederlandse versie naar de Nederlan­ders en een Engelstalige versie naar de inwoners van alle andere landen. Indien u een andere versie wenst te ontvangen dan u tot nu toe gewend was, dan graag een briefkaartje naar de secretaris.

Charles F.C.G. Boissevain

voorzitter Boissevain-Stichting

 

Bergerac voor de reformatie

"Veroverd, verloren, veroverd", dat was het lot van Bergerac, thuisbasis van onze voorvaderen lang voordat er sprake was van een Reformatie of van Hugenoten. Maar het was niet uit gebrek aan vaderlandsliefde, zoals we zullen zien.

Het begon allemaal met twee huwelijken en een scheiding. Eleanora van Guyenne, echtgenote van Lodewijk VII, koning van Frankrijk, scheidde van hem en hertrouwde met Hendrik Plantage­net. Die werd twee jaar later koning van Engeland en vervolgens koning van Frankrijk. Dat was in 1154. Via Eleonora komt het hertogdom Guyenne, met in het zuidelijke gedeelte Périgord en Bergerac, in het bezit van Hendrik kwam en in de komende periode ook de Engelsen er aanspraak op konden maken. Dit was één van de achterliggende oorzaken voor de zgn. 100-jarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk (1339 - 1459), jaren waarin Bergerac hevig heeft geleden.

In 1188 voorzag een andere Franse koning, Filips II Augustus, het stadje van fortificaties voordat hij op Kruistocht ging: tien torens en achttien poorten verbonden door erg dikke muren en vijf grote bastions. Maar helaas bewezen al die dikke muren weinig hulp te bieden toen de stad door Lodewijk IX de Heilige werd teruggegeven aan de Britten, wat tot hevige protesten leidde bij de inwoners. Die waren zo boos, dat zij weigerden hem als een heilige te erkennen en dan ook niet deelnamen aan de festiviteiten die door heel Frankrijk werden georganiseerd bij zijn heiligverklaring.

In werkelijkheid waren de echte machthebbers in Bergerac niet zozeer de koningen dan wel de eigen feodale heren. Hoewel zij onderling ook wel verschillen van mening hadden, werden die toch vlug bijgelegd en trokken ze gezamenlijk ten strijde tegen de burgerij, die ze beroofden van hun rechten en vrijdommen die hen waren verleend door de ... Engelsen! Maar Karel IV had genoeg van de onderlinge ruzies van de heren over de grenzen van hun landgoederen. Hij nam alle Acquitaanse forten terug van Engeland. Vervolgens ging hij in 1322 accoord met 29 artikelen, de zgn. octrooibrieven, waarin de gemeentezaken van Bergerac in detail werden geregeld. Deze artikelen herstelden het "consulaat", waarbij het de consuls (een soort burge­meesters) werd toegestaan hun eigen opvolgers te benoemen. Daarin werd niet alleen gesteld, dat de burgemeesters bepaalde belastingen konden heffen, maar ook dat zij één burger per district konden benoemen om de sleutels van de stad te bewaren. Om een aantal woorden in het Frans uit die dagen aan te halen: "Les bourgeois et habitants sont quittes francs et immunes a perpétuité et le seigneur ne peut rien exiger ni prendre d'iceulx" ("De burgers en inwoners zijn eeuwig vrij en onaantastbaar en de ambachts­heer mag niets eisen of van hen terugvorderen"). Genoemde privileges ontna­men de heren van Bergerac bijna al hun gezag. En we moeten dan ook niet verbaasd opkijken wanneer we zien dat de laatste van hen, Archambaud IV, zijn rechten op de stad opgeeft in ruil voor het recht om voor 1600 ponden een stuk grond te pachten van Philippe VI van Valois, die zich haastte om de privileges van de inwoners te bevestigen, zoals in de bronnen uit 1337 is te vinden. Bergerac was vastbesloten om zijn loyaliteit aan de koning van Frankrijk te tonen en vond al spoedig een gelegenheid om dat te doen. In 1345 pleegden drie Britse legers een invasie op het conti­nent. Eén van de legers kwam via Bayonne en Bordeaux. Na een hevige veldslag werd Bergerac veroverd en geplunderd door de Engelsen. In 1360 werd de verovering bevestigd door het Verdrag van Brétigny. Maar de Britse bezet­ting zorgde voor wijd verspreide onvrede. Om de gemoederen in Bergerac wat te sussen, ondertekende de Prins van Wales een overeenkomst die bekend staat als "Rechten en plichten". Hierin stonden zaken opgetekend betreffende aan- en verkopen, testamenten en erfenissen, diefstal, overspel, etc.... Het noemt de privileges die voortkomen uit de burgerschapsrechten en zij geven een goede indruk van het leven in Bergerac in de 14de eeuw.

Bijvoorbeeld:

"Indien een niet-burger een burger beledigt of geld schuldig is, dan kan hij hem voor de schout dagen om genoegdoening te krijgen", of "Wanneer een vrouw is veroordeeld voor overspel, dan moet zij naakt een rondje om de stad lopen" en "Wanneer een burger schulden heeft, mag een politieman gen beslag op zijn goederen leggen, niet op het bed waarin hij slaapt en ook niet op het beddegoed, tenzij hij daarvan twee exemplaren bezit en ook niet op de kleren van zijn echtgenote in het geval zij daarvan slechts één stuks van bezit, etc.... Verder: "Noch in Bergerac, noch in de voorsteden mag iemand kleren, zout of wijn verkopen of een zoutopslag of taveerne bezitten of enige van de stedelijke privileges genieten, tenzij hij een burger van Bergerac is".

Het voorgaande toont het belang aan van de voorrechten die de stedelijke burgerij geleidelijk aan heeft bevochten en verworven. Dit toont ook aan, dat zo'n burger een man is die diende te worden gerespecteerd. De meest zware straffen waren er in omloop voor degenen die hem iets aandeed, speciaal wanneer het zijn wijngaarden of wijn betrof. Laten we maar even voorbij gaan aan de incidenten tijdens de daarop volgende jaren en ons bepalen tot de woorden van Christine de Pisan, één van de eerste vrouwen die in de Franse literatuur voorkomt. Zij vertelt hoe de Hertog van Anjou, de broer van de koning, vergezeld door de illustere Hofmaarschalk Bertrand du Guesclin, het fort Bergerac veroverde in 1374. Uiteindelijk in 1450 toen de stad opnieuw in Engelse handen was maar bevrijding door de Fransen aanstaande, moordden de burgers het Engelse garnisoen uit, waar ze nog jaren later met trots over spraken. En de hertog van Penthieve beloonde hun patriottisme met het verlenen van nog meer privileges.

In de gemeentearchieven is het volgende opgetekend in het Latijn: "Andere steden kunnen hun geschiedenis hebben geroemd door te verhalen van veroveringen en triomfen over andere landen. Ik zelf kijk niet verder dan een stad als deze, angstvallig waakzaam over zijn eigen overwinningen en loyaal aan de Franse kroon. En als het zo zou zijn dat ik door de Engelsen was bezet, dan zou ik de eerste de beste gelegenheid aangrijpen om het garnisioen om zeep te helpen en met zo'n heldendaad zou ik de andere steden hun vrijheid laten herontdekken. En om mijn eigenwaarde te bevestigen zouden de meest christelijke koningen mij eren met voorrechten en mij eeuwig van belasting uitsluiten. Ik heb er absoluut vertrouwen in, dat de toekomstige koningen zich daar ook aan zullen houden. Ik zal altijd mijn leven en mijn wereldlijke goederen opofferen voor mijn koning en zijn wetten". Helaas, twee eeuwen later werden zij enorm teleurgesteld in deze mening!

Ik vond het waardevol deze geschiedenis te citeren ten gunste van de Boissevains, als afstammelingen van die waardevolle burgers van Bergerac. Gedurende de volgende eeuwen hebben zij laten zien dat zij ook niet over zich laten lopen (vergeef mij deze wat familiaire uitdrukking). Tijdens de Britse bezetting hielden zij hun kop omhoog en vochten, niet eenmaal, maar meerdere malen. In tegenstelling tot hun landheren waaiden zij niet met alle winden mee ten eigen voordele. Nee, zij bleven loyaal aan de Franse koning, waarvoor een zekere afstammeling echter maar weinig dankbaarheid ontving in de tijd van de Reformatie. De hiervoor vermelde geschiedenis dateert uit 1450, precies in de tijd dat de naam van de rechtsgeleerde BOUISSAVY DE BERGERAC voor de eerste keer op een document voorkomt. Om een of andere onbekende reden heeft hij voor een onbekend doel een bijdrage aan de stad betaald, dus hij zal wel een belangrijk persoon zijn geweest. Maar in de omringende dorpen woonden er meer met die naam en allemaal van "Dordogne". Op die manier weten we, zoals zo vaak het geval was, dat ze niet uit een ander gebied kwamen maar echt uit de Périgord stamden. En hun voorgangers hebben de historische gebeurtenissen meegemaakt, waarvan ik hiervoor verhaalde. In de 15de eeuw kunnen zij, zonder al te veel te overdrijven, worden gezien als werkzame, dappere, vechtlustige en gerespecteerde mensen.

Toen de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 plaats vond, hadden sommigen van hen de zaak van de Hugenoten omarmd. In plaats van hun geloof af te zweren, gaven zij er de voorkeur aan hun geliefde Dordogne te verlaten. Onder hen waren drie broers, twee van hen geestelijken en de derde, Lucas, onze voorvader in Holland. Maar dat is een ander verhaal, waarover ik een andere keer nog wel eens zal vertellen.

D. de Uthemann

 

Zure zeggingskracht

Een anekdote is waar, bijna waar, of maar gedeeltelijk waar. Zeker is dat een anekdote een flashback is in de tijd.

Het verleden leeft even op. Deze flashback in de tijd heeft als aanleiding een woord, twee om precies te zijn. Hoe ik plotseling op dit begrip kwam weet ik niet meer, maar ineens kwam het boven: ZURE ZEGGINGSKRACHT. Ik herinnerde me dat mijn moeder me hierover gesproken had en vroeg haar ernaar. Zij is van 1900 en weet zich nog veel te herinneren, en toen kwam het volgende verhaal.

Professor Brugmans, geboren omstreeks begin 1800, kreeg drie dochters, maar geen zonen. Daarom niet getreurd, zijn dochters waren intelligent, konden hun mannetje staan en hij had weinig moeite zijn leergierige dochters zijn eigen kennis van klassieke talen en wat hem nog meer interessant en van belang voor hun ontplooiing leek, bij te brengen. Het resultaat was ontwikkelde dochters die het stereotiepe vrouwelijk gedrag van die tijd aan hun laars lapten. Dit ter ontsteltenis van cavaliers die hen naar de gebruikelijke feesten begeleidden, want de 19de eeuwse prietpraat die men geacht werd met jonge dames te voeren liep uit op een fiasco. De jongedames reageerden met scherpe tong, brachten hun kennis in het geding om het gesprek een andere wending te geven en wanneer dat niet lukte had de cavalier in kwestie afgedaan en droop ontdaan af. Zo ontstond de uitdrukking ZURE ZEGGINGSKRACHT.

Er waren natuurlijk jongemannen die deze uitdaging juist wel aan wilden gaan. Een daarvan was overgrootvader Jan Boissevain (VII A). Hij kwam bij Prof. Brugmans om de hand van dochter Petronella te vragen, waarop vader Brugmans verbaasd uitriep: "Waarom trouw je niet met de jongste, die is veel aardiger". Zoals we weten bleef Jan bij zijn keuze en trouwde hij de meest felle van het drietal. Het jongere zusje trouwde later met Mr M.J. Pijnappel. Er kwam een aantal kinderen. In 1870 waren de zusjes Brugmans allebei in verwachting. Mijn overgrootmoeder Boissevain kreeg een flinke zoon Matthijs. Haar zusje kreeg twee dagen later een dochtertje Marie. Marie was klein, het lukte haar moeder niet haar genoeg te laten drin­ken. Toen hebben de zusjes voor de lactatieperiode de baby's geruild. Thijs zorgde wel dat hij aan zijn trekken kwam en Marie kwam niets tekort bij haar zoogster. Mijn moeder zegt dat er tussen de twee kinderen altijd een band is blijven bestaan als van broer en zuster. Bovendien is het zo opvallend dat Thijs het zachtaardige karakter van zijn zoogmoeder had en Marie het fellere van de hare. Voor deze visie pleit het feit dat Marie een vermaard voorvechtster was van vrouwenkiesrecht zoals we in Boissevain Bulletin nr. 4 konden lezen, waar ze genoemd staat als belangwekkende Boisse­vain-vrouw, want deze Marie trouwde immers later met Charles H.H. (VIII C).

Vera ter Haar-van Oyen (dochter van Mia Hopperus Buma-van Hall)

 

Reünie in Bergerac

Begunstigd door fraai zomerweer werden eind juli de al lang bestaande plannen voor een familiebijeenkomst in Bergerac verwezenlijkt. Met veel succes, al was het aantal deelnemers - 15 - wat minder dan gehoopt en ook beneden het aantal aanmeldingen. Bergerac ligt voor vrijwel alle Boissevains natuurlijk niet naast de deur, zelfs niet voor onze familieleden in Frankrijk. Verscheidene deelnemers koppel­den aan de reünie echter een vakantie, al reisden enkele speciaal voor deze gelegenheid "even" heen en weer.

Plaats en tijd van samenkomst was - zoals in de Bergerac Special (Bulletin 5) vermeld - restaurant Le Poivre et Sel op donderdag 27 juli om 19,00 uur. Reeds in de middag kwamen 10 Boissevains elkaar in de binnenstad tegen en genoten tezamen op een der vele terrasjes van een drankje. Op weg naar onze afgesproken locatie liepen we langs een standbeeld van Cyrano de Bergerac. Een vluchtige inspectie leerde dat geen van onze neuzen met die van De Rostand`s creatie kon wedijveren. De gérant van Le Poivre et Sel had voor ons tafels gedekt op een pleintje aan de overkant van het straatje. Bestuurslid Anneke had gezorgd voor een aantal T-shirts bedrukt met een schetskaartje van Bergerac en omgeving (de Périgord) en onze wapenspreuk "ni regret du passé, ni peur de l`avenir". Deze vonden tijdens het aperitief gretig aftrek en werden terstond aangetrokken onder grote belangstelling van het restaurant personeel. Penning­meester Guus sprak een welkomstwoord (voorzitter Charles was helaas verhinderd). Tijdens het voortreffelijke diner - waar staat de gastronomie op hoger peil dan in de Périgord? - deed oud-voorzitter Ernst concrete voorstellen voor het programma van de volgende dag. De avond was zeer geanimeerd en pas om middernacht begaven de aanwezigen zich naar de diverse hotels.

Vrijdag ging het in 4 auto`s eerst oostwaarts langs de Dordogne richting Couze en St.Capraise, waar onze "stamvader" Lucas vandaan kwam. Ook toen hij later in een buitenwijk van het 20 km verder gelegen Bergerac woonde had hij daar nog bezittingen. Niet iets voor een dagelijkse wandeling heen en weer. Hoe hij zijn bezit­tingen beheerde is niet duidelijk. Hij liet ze bij testament na aan zijn broer Jean en zuster Pierrette. Zoals in het vorige Bulletin vermeld is over die bezittingen niet veel terug te vinden. Des te meer echter aan de andere kant van de rivier bij de dorpjes La Maroutie en Cours-de-Pille.

Bij Lalinde-St.Capraise staken we over een kleine oude brug de Dordogne over, alleen berijdbaar voor kleine auto`s. Gelukkig waren de onze niet groot. Via een aantal kleine weggetjes leidde Ernst ons naar enkele plekken, beschreven in het vorige Bulletin, waar diverse neven en ooms van Lucas actief zijn geweest. Stellig een prestatie, dat Ernst deze plaatsen 2 jaar geleden heeft kunnen opsporen en nu weer heeft terug gevonden. Als architect gaf Guus ons interessante informatie over de eeuwenoude boerderijen. In Cours-de-Pille negeerden we bij het gelijknamige château het bordje "Entrée interdite, Propriété privée", zeer tot ongenoegen van de door Ernst reeds eerder gememoreerde châtelaine. Maar tegen de tijd dat deze Kenau ons gelastte te verdwijnen hadden we naast de toegangspoort aan het beekje de Rau de restanten van "de" oude watermolen ontdekt. Op een nabijgelegen begraaf­plaats ontdekten we een "recente" grafsteen (2e helft vorige eeuw) met het opschrift "Famille Bouyssavy". Daarnaast echter een veel oudere, sterk verweerde steen, waarop we met veel moeite en wat krabben de tekst "Tombeau de la famille Bouyssavy, concession à perpétuité" ontcijferden. Zoals bekend is de naam Boissevain pas in Nederland gebruikelijk gewor­den. Ten tijde van Lucas` vlucht uit Frankrijk heette de hele familie nog Bouyssavy; deze naam kom je in Bergerac en vele naburige plaatsen nog geregeld tegen.

Bovenop een heuvel nabij het befaamde Château de Montbazillac lunchten we weer uitstekend op het terras met een uniek panorama van restaurant Le Moulin Malfouret. Daarna begaven we ons naar de caveau (proeflokaal) van een wat kleiner château, Le Barradis, voor een uitgebreide dégustation (en aankoop) van een aantal rode en witte wijnen. De eigenaar is er trots op dat op de wijngaard geen kunstmest en geen chemische pesticiden worden gebruikt en dat hij gerechtigd is zijn produkten aan te duiden met de vermelding "culture agrobiologique" en "nature et progrès".

De familie­reünie was hierna officieel ten einde, maar de meesten vonden elkaar `s avonds voor het diner weer op de terrasjes van 2 naast elkaar gelegen restaurantjes. En ook de volgende och­tend bleken verscheidene onder ons elkaar opnieuw te ontmoeten, o.a. in de enig overgebleven Hugenotentempel die Bergerac nog rijk is (de andere is verwoest en fungeert thans als overdekte markt), waar een interessante Hugenoten tentoonstelling was met de naam "Les 5 saisons du protestantisme bergeracois": de opkomst in de stormachtige lenteperiode (midden 16de eeuw), de zomerbloeitijd (1574-1621), de eerst nog rijke maar daarna in herfststormen aftakelende herfst (1621-1685), de eindeloze winter met felle vervolgingen (1685-1799), sindsdien gevolgd door de herleving van een eeuwige(?) lente. Al met al hebben de 15 deelne­mers een plezierige reünie gehad, over een paar jaar wellicht voor herhaling vatbaar?

Robert L.(Bob) Boissevain