Jaargang 1995, nummer 5 - Bergerac Special

Voorwoord

In het vorige Bulletin, dat u afgelopen december ontving, kondigde ik de beschrijving van een Bergerac-reis al aan. Tevens deed ik toen een oproep voor een financiële bijdrage, die we een paar weken later vergezeld lieten gaan van onze nieuwe acceptgirokaart. Beide zaken leverden veel positieve reacties op. Wij zijn u daarvoor zeer erkentelijk. Het stelt ons in staat om de familieleden en de (vele!) "Boissevainiden" op de hoogte te stellen van onze activiteiten. Hierdoor gesteund besloten we om zo spoedig mogelijk een speciale Bergerac-aflevering uit te brengen met een concreet voorstel voor een reünie in Bergerac op 27 juli a.s. U leest verderop in deze aflevering meer daarover. Gustaaf verzorgde het historische gedeelte en vader Ernst en dochter Anneke hebben kosten noch moeite gespaard om een leuke tocht uit te zetten. Twee zaken breng ik graag nog onder de aandacht. Allereerst het verzoek om uw belangstelling voor het deelnemen hieraan zo vlug mogelijk aan ons kenbaar te maken en of u in de gelegenheid bent om een meerijder mee te nemen. Ten tweede, om bij het ontbreken van eigen vervoer dat ook te laten weten, zodat we kunnen bekijken of het meerijden met een familielid tot de mogelijkheden behoort. Wij zijn erg benieuwd naar de belangstelling voor deze half georgani­seerde "reünietocht".

Hoewel geheel buiten het onderwerp van deze speciale aflevering attendeer ik u toch nog even op een kleine expositie in het Rijksmuseum te Amsterdam gewijd aan "mammie" Mies Boissevain - van Lennep en haar Nationale Feestrok, die daar van 21 april t/m 18 juni wordt georganiseerd. Een terecht eerbetoon aan een moedig familielid tijdens de tweede wereldoorlog. In het tijdschrift Opzij van mei wordt overigens ruim aandacht aan haar besteed.

Mede namens de bestuursleden Jan Willem, Gustaaf, Annemie, Anneke, Jeroen en onze adviseur Bob wens ik u veel leesplezier toe en alvast een hartelijk welkom in Bergerac.

Charles F.C.G. Boissevain

voorzitter Boissevain-Stichting

 

Bergerac Hugenoten en Boissevain

Het rebelse volk van de hugenoten in Bergerac

Dit verhaal gaat over de stad Bergerac en de moeite van de autoriteiten om vanuit Parijs, Bor­deaux en Perigueux de oevers van de Dordogne "te reinigen van de ketterij van Calvijn". Na de "dragonnades" en de herroeping van het Edict van Nantes is het protestantisme nog steeds springlevend in Bergerac. Ook blijkt het verleden nog steeds zeer actueel te zijn.

Het zoeken naar de protestantse identiteit

In 1561 betuigen de stadsbestuurders openlijk hun steun aan de Reformatie tijdens een algemene vergadering in het stadhuis. Waarom juist in Bergerac terwijl in omliggende steden als Perigord, Perigueux, Sarlat en Bordeaux, deze invloed voorbijgaat ?

Bergerac is een kleine stad aan een rivier in het zuiden van Frankrijk. Via de handel in zout en goede­ren (o.a. wijn naar Holland) over de rivier staat de stad gemakkelijk bloot aan buitenlandse invloeden. Al in 1541 bekeert Sainte-Foy (op 22 km stroomafwaarts) zich tot de Reformatie. Bergerac volgt enige jaren later. Tijdens de godsdienstoorlogen blijken machtige bondgenoten als de hugenoten leenheren van Caumont-la-Force (invloedrijk in het gebied tussen de Garonne en de Dordogne tot aan Castelnaut), de Turennes (edelen uit het noorden, die langs de Vézère de rivier zijn afgezakt) en Armand de Clermont, heer van Piles (een bijzonder goed zwaardvechter) van groot belang te zijn. (In La Force, op 10 km van Bergerac, staat nog steeds het kasteel van Caumont-la-Force).

Na de 100-jarige oorlog bleven Perigueux en Sarlat als bisschoppelijke steden aan de zijde van de Franse koning. Bordeaux koos daarentegen de zijde van de Engelse koning. Zodoende zat Bergerac ingeklemd tussen twee grootmachten. Om te kunnen overleven moest men erg terughoudend en behoedzaam met de koninklijke en de bisschoppelijke autoriteiten omgaan. Desondanks heerste er vanaf de 14e tot aan het begin van de 16e eeuw een sterk antikerkelijke houding in de stad. Men was wel gelovig, maar had een uitgesproken minachting jegens 'diegenen die zogenaamd spraken "namens God"'.

De godsdienstoorlogen

Vanaf 1562 begonnen de eerste schermutselingen. Bergerac kwam terecht in de stroomversnel­ling van de godsdienstoorlogen. Tot aan 1570 twijfelde de stad tussen de twee kampen. Dan weer betuigde zij haar aanhang aan de hugenoten, dan weer bejubelde zij de katholieken.

Tijdens het bezoek van Monluc en Burie, luitenanten van de koning en later, tijdens het bezoek van koning Karel IX zelf in augustus 1565, werden de machthebbers uitgebreid bejubeld en betuigde de stad zijn loyaliteit. Maar zodra zij de hielen hadden gelicht, veranderde de stad van kamp.

Manschappen werden geleverd aan vrijwel alle veldslagen van de hugenoten (zoals aan de slag bij Orleans en de slag van Targon tegen Monluc). In 1562 werd met hulp van de ontembare Clermont de Piles het katholieke garnizoen van de stad uitgeroeid. Een antwoord kon niet uitblijven. Monluc liet enige dagen later troepen en kanonnen aanvoeren naar Bergerac voor het beleg van Musidan, 25 km ten noorden van Bergerac. De stad boog, zoals ook na de vrede van Amboise de Franse koning op rondreis uitgebreid verwelkomd werd.

Twee jaar later, in 1567, tijdens een opstand (de z.g. "Michelade") brachten de hugenoten hun troepen bijeen in Bergerac. De brug werd gedeeltelijk verbrand om de versterkingen van Monluc de weg af te snijden. Monluc kwam, herstelde de brug en trok de stad binnen waarna de stad financieel moest bloeden voor een eervolle en grootse ontvangst. Later, in 1568 verleende de stad onderdak aan de koningin van Navarra die, onderweg naar de calvinis­tische legers, moest schuilen voor de mannen van Monluc. Toen liep het geduld van Monluc ten einde. Teleurgesteld over dit gebrek aan loyaliteit liet hij de brug afbreken en ontmantelde de stad. Eind 1569 heroverde Clermont de Piles de stad met hulp van de immer rebelse inwoners. Uiteindelijk werd in 1570 de stad bij de vrede van St. Germain één van de vrijplaatsen waar de protestantse godsdienst officieel was toegestaan. Ontmanteld, geplunderd, beroofd van haar brug en gereduceerd tot een onbelangrijk dorp had de kleine stad een hoge tol betaald voor de erkenning van de koning van het recht op een afwijkende behande­ling.

Vanaf 1574 verandert de zaak voor Bergerac. Na de schok van de Sint Bartolomeusnacht organiseer­den de steden en de edelen zich, met name in het zuiden, tot een echte hugenotenrepubliek. Bergerac was daarbij ook van de partij. In maart 1574 nam de stad de hugenotenkapitein Guy de Montferrand en Goeffroy de Vivant uit Piles in dienst. Zij herstelden de verdedi­gingswerken met hulp van boeren uit de omgeving. Perigueux intussen, vreesde voor een tweede hugenotenvesting als La Rochelle. Perigueux was ook bang dat de rebellen uit de Languedoc en de Provence via de herstelde brug zich te gemakkelijk bij die uit Poitou, Anjou en Bretagne konden voegen. Ondanks herhaalde waarschu­wingen en verzoeken om versterking namen op 6 augustus 1575 enkele honderden soldaten uit Bergerac de rivaliserende katholieke stad Perigueux in. Een oude rekening was daarmee vereffend.

Bergerac is nu een belangrijke vesting van de hugenoten. Trots wordt de witte vlag van "de goede zaak" uitgehangen. Binnen de hugenotenrepubliek wordt de stad nu autonoom bestuurd door haar burgers. De stad stuurt afgevaardigden naar de federale vergadering en beslist mee over de toekomst van de nieuwe hugenotenstaat. De (vooral militaire) leiding is in handen van een gekozen "protector" , eerst Turenne en later Henri de Navarre. Tegen het eind van de godsdienstoorlogen heeft Bergerac zich een comfortabe­le positie verworven met stevige vestingwerken en sterke bondgenoten als de heer Caumont-la-Force. De stad mag zelfstandig de aanstelling van haar dominees bepalen en het heeft een zelfstandige rechtskamer met een particuliere beul, een drukkerij (vanaf 1598) en een groot college van wethouders. De stad wint aan belangrijkheid. Op 13 april 1598 wordt eindelijk het "Edict van Nantes" gesloten na moeizame onderhandelingen tussen de protestanten en de vroegere hugenotenleider die nu koning is. Bergerac viert als hugenoten­vrijplaats uitgebreid mee. Alleen komt met de vrede ook de terugkeer naar de monarchie met haar bevelen uit Perigueux en Bordeaux. Ook eist de katholieke kerk de vervallen kloosters en kerken na een kwart eeuw weer terug. Steeds weer moet de protestantse burgerij moeite doen om haar territorium te verdedigen tegen de oprukkende invloed van het katholieke geloof. Dat het niet alleen een geloofskwestie is maar ook een strijd om zelfbeschikking en zelfbestuur zal duidelijk worden.

Na de dood van koning Henri in 1610 breekt de oorlog weer uit tussen de kroon en de hugenoten. Eind 1615 worden de verdedigingswerken nogmaals hersteld. In 1620 besluit de protestantse Assemblée in La Rochelle de koning te weerstaan. Bergerac geldt als de meest belangrijke vesting in de provincie. Maar koning Lodewijk XIII neemt zelf de leiding over een groot en een sterk leger met veel kanonnen. De geallieerde steden bieden weinig of geen weerstand. Ondanks het aandringen van Caumont-la-Force besluit Bergerac zich over te geven. Op 16 juli 1621 trekt de koning de stad binnen. Hij wordt ontvangen met de hoogste eer en bewijzen van loyaliteit. De stad heeft weer gekozen voor de koning. Zonder strijd vervalt hiermee de droom van de protestantse republiek. Bergerac wordt een weerloze stad, onderworpen aan de grillen van de monarchie. Aanvankelijk eist de koning alleen dat de stad zijn autoriteit erkent. De nieuwe verdedigingswerken worden ontmanteld en een citadel wordt gebouwd om de stad onder controle te houden. Tot aan het einde van de oorlog zal een stevig garnizoen de stad bezet houden. Gelaten wordt de schending van haar bestuursstatuut ondergaan en de terugkeer gedoogd, na 50 jaar, van de katholieke religieuze ordes. De stad doet (zij het niet van harte) mee aan de viering van de koninklijke overwinningen op de protestanten (die ondertussen nog steeds vechten). Ook draait de stad op voor alle kosten van herstel. Alle mogelijke vernederingen worden ondergaan zoals de overheersing van het bestuur van de stad door haar ergste vijanden, de Jesuiten uit Perigueux. Desondanks blijft het "Edict van Nantes" van kracht zodat Bergerac haar geloof niet hoeft te ontkennen.

Na de amnestie van Arles (1629) wordt Bergerac ontmanteld en onder toezicht geplaatst. Regelmatig komen soldaten terug om de stad te herinneren aan de macht van de koning. De stad raakt gewend aan deze regelmatige "overstromingen", die tot diep in de huiselijke haard te voelen zijn. De burgerij buigt gedwee en toont zich verstandig. Vanuit Perigueux, haar vroegere rivale, wordt vanaf 1619 de katholieke herovering van Bergerac ingezet. Aanvankelijk met veel moeite, maar na 1621 lukt het met steun van de autoriteiten voet aan wal te krijgen. Hoe moeilijk het is, blijkt uit de melding in 1648 van een ge­schiedschrij­ver dat in Berger­ac bijna iedereen de RPF belijdt (RPF= religion prétendue protestante= officiële benaming van het protestantse geloof). Terwijl de (katholieke) kerk weer opgebouwd wordt, moet in 1634 op bevel van Bordeaux de (protestantse) tempel afgebroken worden omdat deze te dicht bij de kerk zou staan. Een nieuwe tempel wordt in 1636 elders gebouwd. Deze geldt als de mooiste in de streek. Het gebouw is octogonaal met bovenop een klokketoren met uurwerk. Het gebouw is veel groter dan de kerk (44,8m x 29,2m tegenover 33,77m x 19,49m). Boven de deur hangt de bijbelse en provoceren­de inscriptie: "Hier is de deur naar de eeuwigheid waar alleen de gerechtvaardigden naar binnen gaan. Ps 118 V.20, 1643".

Hoe moeilijk de tijden zijn blijkt uit de afzwering van Jean Bouyssavy, (afstammeling van Leonard Bouyssavy uit Coutures en een neef van onze voorvader Lucas), wonend te La Monzie. In zijn eerste testament geeft hij te kennen begraven te willen worden op het kerkhof van de gereformeerden te Cours. In zijn 2e testament van 1643 geeft hij aan te willen worden begraven op het kerkhof van de romeinse (katholieke) kerk bij de graven van zijn voorvaderen. In 1641 wordt Pierre Bouyssavy (neef van Jean, ook familie van Lucas) veroordeeld door het hof van Bordeaux tot een geldboete wegens "het bijwonen van een dienst van een priester van het zogenoem­de gereformeerde geloof waar woorden zijn gesproken en handelingen verricht anders dan bij het echte katholieke en romeinse geloof".

Sociale ontworteling

De meeste hugenoten wonen vooral in de stad en in de buitenwijken. Zij hebben diverse beroepen en behoren tot alle inkomensgroepen. In 1681 zijn naar schatting 6.000 mensen hugenoot (bijna 60% van de bevolking). Vooral in de wijk Terrier dicht bij de rivier is 85% gereformeerd. Vanwege de goede sociale basis kan de protestantse kerk van Bergerac zich een mooie tempel en drie pastoors veroorloven. Verder was de vallei van de Dordogne bezaaid met kleine eenvoudige tempels (rond Limeuil, Bergerac, Ste-Foy, Castillon en Castelnaud). De protestantse Perigord maakt deel uit van een reeks gereformeerde kerkgemeenschappen in Poitou, Saintonge, de streek van Angou tot aan de Languedoc inclusief de Angenais en Quercy. Dominees reizen rond en leiden de diensten, vaak in ruil voor onderdak. Vooral tijdens de jaarlijkse synode komen veel protestanten bij elkaar, o.a. in Bergerac. Tijdens deze synodes worden belangrijke theologische en praktische zaken beslist. De protestantse kerk is een niet-hiërarchische organisatie waarin alle pastoors gelijk zijn (in tegenstelling tot de katholieke kerk). In de hugenotenrepubliek wordt de stad door de burgerij bestuurd.

Na de onderwerping van Bergerac in 1621 krijgt de stad een gemeenteraad opgelegd die direct door de koning is benoemd. In 1629 stelt de koning een gemeenteraad in bestaande uit een burgemeester, 3 katholieke wethouders en 4 protestantse. In 1630 besluit de koninklijke gezant dat katholieken op alle bestuurslagen vertegenwoordigd moeten zijn (hiermee legt hij het statuut van de stad uit 1322 opzij maar wie houdt hem tegen?). Het besluit blijkt onuitvoerbaar door het geringe aantal katholieke burgers. Dit wordt des te onverteerbaarder nadat de koning besluit de invloed van hugenoten geleidelijk te beperken. In 1667 besluit de kroon dat er naast de burgemeester nog maar 4 wethouders (in plaats van zeven) zijn. Verder moeten de burgemeester en twee wethouders katholiek zijn, de gemeenteraad wordt beperkt tot 30 leden (16 katholiek en 14 protestant) en de belasting wordt jaarlijks opgehaald worden door beurtelings een katholieke en een protestantse wethouder. De protestanten tekenen bezwaar aan maar in 1668 wordt het besluit door het parlement bevestigd.

Tegelijkertijd zet de katholieke kerk een offensief in tegen de tempel van Bergerac. In 1669 moet de gevelsteen verwijderd worden. 10 jaar later (september 1679) verliest de tempel haar uurwerk door een besluit van het parlement. Een week daarna wordt de uitoefening van de protestantse godsdienst in het dorp La Madeleine (een buitenwijk van Bergerac op de zuidoever van de rivier) verboden en wordt bevolen de tempel te slopen.

De tempel afgebroken

Rond 1681-82 slaat de politiek van inperking om in een politiek van uitroeiing. Philippe de Bernard, de pastoor van Bergerac, handelt geheel in de geest van de tijd als hij de consisto­rie van Bergerac bij de autoriteiten aangeeft wegens het aannemen van nieuwe bekeerlingen. Hij laat dominee Vernejou (sinds 1677 predikant in Bergerac) arresteren. De emoties in de stad laaien op, aangewakkerd door de afpersingen van twee regimenten cavalerie. Hieraan wordt snel een eind gemaakt maar het proces tegen Vernejou komt voor de rechtbank van Bordeaux. Op last van de Staat wordt dit verplaatst naar Toulouse. De protestanten uit Bergerac dreigen de huizen van de leden van het hof van Bordeaux te beroven en te vernielen en dreigen daarmee de inkoop te boycotten van wijnen uit Bordeaux door de Hollanders, hun geloofsgenoten.

Op 12 september 1682 spreekt het hof in Toulouse zich uit en verbiedt dominee Vernejou om waar dan ook in het koninkrijk te preken. Tegelijkertijd worden de protestantse diensten in Bergerac en omgeving verboden en wordt bevolen de tempel van Bergerac wederom te slopen. Met veel commotie wordt dit bevel ten uitvoer gebracht nadat met veel moeite uit de verre omtrek voldoende werklieden zijn gevonden. Met groot ceremonieel vertoon wordt een kruis opgericht op het vrijgekomen tempelplein. In een lange processie langs het plein keren de notabelen en kerkelijke autoriteiten van stad en omstreken terug naar de (katholieke) kerk en zingen daar een triomfantelijk Te Deum. Ondanks de hulp van de soldaten verloopt het winnen van de zieltjes moeizaam. De meeste komen van omliggende gemeenten en van boeren. Toch blijft de kern van de hugenoten in de steden weer­stand bieden.

De dragonnades

Eind augustus 1685 trekken gelaarsde missionarissen de stad binnen. Met geweld worden de protes­tanten in Bergerac, zoals ook in andere steden is gebeurd, veranderd in z.g. "nieuwe bekeerlingen". Vanwe­ge haar locatie als brug-stad komen normaal toch al veel troepen door de stad. Echter op 11 augustus komen twee regimenten cavalerie de stad binnen als de voorhoede van de beruchte "dragonnades". De protestanten weten van de verhalen van andere "bekeerde" steden wat hun te wachten staat. Velen ontvluchten de stad zodra bekend is dat de troepen in opmars zijn. De vluchtelingen worden gelast terug te keren en de avondklok wordt ingesteld. Op 22 augustus trekken de soldaten (32 compagnies infanteristen uit Poitou en Vivonne) met tromgeroffel en wapperende banieren de stad binnen alsof deze net veroverd is. De stad wordt ingekwartierd en hermetisch afgegrendeld.

Enkele dagen later roept de intendant van de koning de protestanten bij elkaar in het stadhuis en deelt hen de orders van de koning mede. Voor het heil van de staat en voor de vrede is slechts één religie veroorloofd (de katholieke). Afvalligen wordt verzocht terug te keren naar het ware geloof. Hij maakt hen duidelijk dat als zij dit niet doen zij wel op een andere wijze zullen worden overtuigd. Daarna trekt hij zich terug om te overleggen met de officieren en om de protestanten de gelegenheid te geven hun keuze in de volste vrijheid te bepalen. De protestanten beginnen te bidden en besluiten unaniem dat zij willen leven en sterven in het geloof dat zij belijden. Zij zullen de koning smeken hen te laten leven en geloven volgens de vrijheden vastgelegd in de tractaten (o.a. in het Edict van Nantes). Hun antwoord wordt hen niet in dank afgenomen. De officieren uiten dreigementen maar doen niets. Wel beginnen enige tijd later de ingekwartierde soldaten bij hun gastheren steeds lastiger te worden. Een dag of twee later komt de markies van Boufflers aan. Hij is commandant van de troepen in Guienne. Hij praat nogmaals met de protestanten en dreigt hen met het sturen van nog meer troepen. Hij verlangt van de hugenoten alleen dat zij zo snel mogelijk hun godsdienst afzweren. Dwarsliggers zullen, naast het herbergen van de soldaten, dagelijks moeten betalen in de vorm van graan, wijn of andere goederen. In minder dan 8 dagen komen zeker 10-duizend soldaten langs de stad. In sommige huizen zitten 15 tot 20, zelfs tot 30 soldaten. Bergerac zit stevig in de greep van Boufflers.

Er zijn vele verslagen over gewelddadigheden om de gereformeerden te dwingen zich te bekeren. Een soldaat, gelegerd in Naillac (bij Hauteford in de buurt van Perigueux), vrat samen met zijn vrienden het hele kippenhok leeg. Hij schilderde elke kip op de muur. De eigenaar beklaagde zich bij de garnizoenscommandant. Deze merkte lachend op dat al het gevogelte nog in huis was aangezien de eigenaar deze nog steeds figuurlijk kon verorberen daar zij op de muur geschilderd waren. De orders van Boufflers om de protestanten te straffen brengen vrijwel niet te dragen lasten. Een handelaar is op die manier al in enkele dagen een bedrag kwijt ter waarde van 20 zakken graan of 5 vaten export wijn. Dit kon dan ook niet lang meer duren. Na ongeveer 8 dagen lopen de afzweringen op tot meer dan 1000 waarvan de meeste rond 26, 27 en 28 augustus.

Om het vertrouwen van de "nieuw bekeerden" in de Staat te herstellen, beëindigt Boufflers vrij snel de "dragonnades" en laat de troepen voortaan bij "oude katholieken" logeren. Een half jaar daarna wordt zelfs een gemeentelijk schrijven uitgebracht waarin slachtoffers van afpersing zich kunnen beklagen op het stadhuis. Maar het religieuze totalitarisme blijft heersen. Vaak worden soldaten ingezet om de "nieuw bekeerden" te dwingen naar de mis te gaan. Velen vluchten naar het buitenland terwijl anderen gaan rondzwerven op het platteland om niet te hoeven afzweren. Soms worden mannen in de gevangenis gezet en vrouwen naar het klooster gestuurd. Van de vluchtelingen worden de huizen afgebroken.

In 1686 worden de "bekeerden" gedwongen hun religieuze boeken naar het klooster te brengen waar deze worden verbrand. Het jaar daarop worden nogmaals soldaten ingezet om hen op hun plicht te wijzen. In de daaropvol­gende jaren weten de autoriteiten op velerlei wijze het verzet te breken. Naast religieuze en militaire middelen worden ook administratieve maatregelen toegepast zoals speciale belastingen voor "nieuw bekeerden". In 1687 worden naar schatting 102 missionarissen ingezet om de meer dan 37.000 bekeerden langs de Dordogne te kerstenen. Deelnemers aan illegale protestantse bijeenkomsten, die gepakt zijn, kunnen rekenen op straffen variërend van ophanging, verbanning naar de galeien, verbanning naar een klooster of naar de naaikamers van het armenziekenhuis. Soms worden zij gebonden en door de straten gevoerd om bespot te worden.

Desondanks groeit het verzet in de steden en dorpen en blijven de gelovigen bijeenkomen in de bossen, in de wijngaarden, op afgelegen plaatsen. Langzaam begint een andere, minder gevaarlijke, politieke vorm van verzet de overhand te nemen. Tussen 1686 en 1700 weigeren verschillende dorpsgemeentes zich te verenigen om zoals gebruikelijk, jaarlijks op zondag voor de mis, hun vertegenwoordigers te kiezen voor de inning van de belasting voor de koning. De "nieuw bekeerden" stellen dat zij immers al bekeerd zijn. Ondanks alles neemt de druk toe en gaat de eeuwige strijd om het winnen van zieltjes door.

Een citaat:

...als men hen (de "nieuw bekeerde hugenoten") verplicht hun plicht te doen in de ene richting schieten ze de andere kant op waar de regelmatige handel met de Hollanders hen kracht geeft tegen alles wat men tegen hen gezegd heeft....

Hieruit blijkt duidelijk hoe innig het contact was tussen de hugenoten (waaronder vele handelaren en wijnbouwers) en de Hollanders.

Epiloog

In het licht van deze ontwikkelingen en de slechte vooruitzichten kan ik mij goed voorstellen dat onze stamvader Lucas Boissevain (II), genaamd Bouyssavy, 25 jaar oud, op 22 juli 1685 zijn vaderlijk erfgoed (de helft van een huis met landerijen en een bosje) te Couze, in de jurisdictie Sainte Capraise, in erfpacht verkoopt aan zijn broer Jean. Hij woont al 13 jaar in de buitenwijk St. Madeleine bij Bergerac. Al op 4 december 1687 maakt hij uit vrees voor zijn leven zijn testament op met de bedoeling het land te verlaten waar hij al langer lastig gevallen wordt. Hij vlucht daarna naar Bordeaux en komt omstreeks 1691 in Amsterdam aan waar hij in 1705 sterft. Ook nu nog blijkt dit verhaal zeer actueel te zijn. Nog steeds zijn er mensen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren en streven naar zelfbeschikking en vrijheid van denken.

Vertaald en bewerkt door Gustaaf W.O. Boissevain

Naar :

  •    'Le peuple "rebelle" des huguenots de Bergerac, entre despotisme et tolérance';
  •    René Costedoat, Editions Guliver, 1987;
  •    Het "groene Boissevain boek" uit 1937.

Richting Bergerac routebeschrijving

De reis begint in Coutures, westelijk van Perigueux, circa 50 km van Bergerac.

Hier pachtten Leonard Bouyssavy en zijn beide broers, blijkens een acte uit 1483, het goed 'Landrivie'. De boerderij ligt zeer eenzaam aan het einde van een verharde weg door een bos en bevindt zich helaas in lamentabele staat omgeven door schrikdraad en koeien. De broers woonden vlak boven Coutures in Lagarde (thans Lageard of Lajard), welk gehucht bestaat uit een manoir met enkele boerderijen. Uit een actie uit 1651 blijkt dat de Bergeracse Bouyssavy's van hen afstamden.

We rijden door naar Bergerac.

In Bergerac zijn geen sporen van onze familie bewaard gebleven. De door neef Isaac gepachte molen Bellegarde zal wel gestaan hebben op de tegenwoordige Place Bellegarde. Voorvader Lucas woonde aan de zuidzijde van de rivier, in de Faubourg de la Madeleine. Het oude gedeelte van Bergerac is zeer fraai gerestaureerd; een van de beide hugenotentemples is weer een protestantse kerk, de andere is vervangen door een aantrekkelijke overdekte levensmiddelenmarkt. Er zijn een paar aardige kleine musea die een bezoek waard zijn.

Ernst heeft voor ons enige restaurants bezocht: de brasserie Royal Perigord (redelijke maaltijden, grote capaciteit), Le Poivre et Sel (gezellig, goed, circa 45 plaatsen) en L'Imparfait waar u voor enkele francs meer een grote schaal met een halve kreeft en langoustines, omringd door schelpdieren kunt bestellen en waar u bij de haard kunt zitten met een goede fles wijn nadat de waardin u persoonlijk een servet om de hals heeft gebonden. De restaurants hebben in het algemeen menu's van 65-100 francs, soms inclusief wijn. Er zijn hotels in alle prijsklassen, benevens campings en kamers bij particulieren.

We rijden in oostelijke richting, zuidelijk van de Dordogne.

De familie woonde in Lalinde (waar neef Estienne waard èn schoenmaker was, totdat hij zich als meesterschoenmaker in Bergerac vestigde), in St-Capraise en Couze (o.a. onze Lucas), maar de nadere aanduidingen uit de akten, zoals 'Le Tracanard' en 'al Rechaussou', zijn niet gevonden. Dichtbij de rivier bij Bergerac ligt Cours-de-Pille met het kasteel Pille. Sinds korte tijd is dit in handen van een Kenau die nooit van een watermolen gehoord had, hoewel je hem volgens Ernst kon zien liggen.

Aan de zuidkant van het dorpje ligt het boerderijcomplex Cazal van neef Jacques. Een paar kilometers verder ligt La Maroutie waar onze ooms Abraham en Isaac woonden. Het bestaat uit twee recentelijk gerestaureerde boerderijen, een nog in bedrijf zijnde boerderij en enige bijgebouwen. Er woont een boer met minstens twintig honden, waarvan enkele onplezierige. Eromheen liggen vooral akkers. Over een heuvel ligt 'Grand Champ' waar Isaac en de zoon van Abraham terrein hadden.

We verlaten de omgeving van Cours-de-Pile en gaan in zuid­westelijke richting verder.

Oom Isaac gaat tenslotte iets dichter bij de wijnstreek van Monbazillac wonen, in la Baste Ruhe, ook zo'n gehucht van een paar boerderijen. Hij zit er warmpjes bij, hij heeft een flink aantal akkers, weiden en wijngaarden en hij heeft een molen in pacht. Toen Ernst even doorreed om te keren, kwam hij terecht in de boerderij van een hartelijke mevrouw Lafon waar hij niet onaardige wijn à fl. 6,- per fles kocht.

Nu gaan we de wijnstreek in.

We rijden door het kleine dorpje Labadie waar Guilhaume en Jean wijngaarden hadden. Volgens de acte verkochten zij hun oogst voor een termijn van tien jaar aan een wijnhandelaar. De druiven moesten in de Dordogne afgeleverd worden. Misschien was het neef Phelippe die de vaten naar Bordeaux vervoerde, hij was immers botelier en ook tonnelier, fustemaker. Vervolgens komen wij bij een wijnchateau met een paar boerderijen dat ook al La Maroutie heet; daar was neef Jean dict Lafleur actief. Via La Cattie (neef Bernard) komen wij bij kasteel Monbazillac, waar o.a. een kamer met Hugenoten-documentatie is. Een paar honderd meter verder ligt Chateau Le Barradis, waar Ernst wijn kocht omdat Estienne, de waard/schoenmaker, en Jean daarbij betrokken zijn geweest. De aankoop kostte een uur omdat de rentmeester hem bezig hield met zijn jaren in het Verre Oosten, met de handelscapaciteiten van de Hollanders en met de politiek. Le Baradis staat sinds 1530 in contact met Nederland, zoals op de flessen vermeld staat.

Langs de wijngaarden van Le Touron, waarin Estienne en Jean ook geïnteresseerd waren, gaat de weg terug naar Bergerac.

De excursie zal met eigen vervoer moeten gebeuren, daar openbaar vervoer nauwelijks aanwezig is, gepaard met rubber laarzen en enige luchthartigheid. Een goede aanvulling op dit verhaal zijn, naast de Michelinkaart van de Bergeracstreek, de detailkaarten van Cartes Institut Geographique National, nummers: 1836 Est/Creysse, 1836 Quest/Bergerac en 1837 Ouest/Eymet.

Anneke M. Boissevain

 

Naamsbekendheid mooie naam

"Uw naam?"

"Boissevain"

"Wat zegt U?"

"Ik zal het U spellen: B-O-I-S-S-E-V-A-I-N"

"Tjonge, mooie naam, zeker frans, hè?"

Zeer bekende ervaring van ons allemaal, in allerlei variaties. Het maakt dat je je naam maar een beetje mompelt, ze verstaan het toch niet. Maar die truc werkt ook niet altijd, zoals ik bemerkte toen ik als jong co-assistent in Amsterdam (1956) voor het eerst op een ziekenzaal kwam om zelfstandig een patiënt te onderzoeken.

Het Binnengasthuis, aan de Grimburgwal naast het Oude Manhuispoort, had toen op de afdeling Interne Geneeskunde zalen van elk 26 bedden! Hoog, ouderwets, kaal en gehorig. Ik moest zien uit te vinden wat een 56-jarige man op zaal F bed 23 mankeerde. Dus trok ik de witte gordijntjes rond zijn bed enigszins dicht en stelde me met gedempte stem voor: "Mijn naam is Boissevain, wat scheelt eraan?"

De man zat rechtop en zei met luide stem, die alle denkbeeldige privacy-grenzen doorboorde: "Wat zei U, hoe heet U?" Wat ongemakkelijk, en in een poging het belangrijke arts-patiënt gesprek toch nog enige vertrouwelijke sfeer te geven, zei ik, iets luider maar niet duidelijker: "Mijn naam is Boissevain; wat zijn uw klachten?" Maar zijn medische verhaal was kennelijk minder belangrijk dan mijn naam: "Wat zei U nou, Bossa?" Nee, Boissevain, zei ik; ik zal het voor U opschrijven: BOISSEVAIN

Ik liet het hem zien. "O, BOSIVA, bulderde hij, BOSIVA, zeg dat dan; ja, nee, ik zal de naam BOSIVA niet kenne! Van dat schip, heb ik nog op gevaren, een prachtschip. Wat een bof dat ik nou dokter Bosiva krijg. Tjonge jonge, BOSIVA. Nou, as U me beter ken make ... Langzaam stierven de echo's weg.

Op zaal F genoot ik sindsdien enige naamsbekendheid.

Willem Boissevain

Dieren, 15-2-1995