Jaargang 2000, nummer 11

 

Voorwoord

Onze stichting is een voortzetting van het in 1934 in het leven geroepen Familieverband der Boissevains. Op folioformaat gaf deze familievereniging de zogeheten “Bestuursberichten” uit. Ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan in 1939 kondigde het bestuur in Publicatie No. 10 aan, dat “met genoegen een PREMIE wordt aangeboden in den vorm van een reproductie van het pastel-portret van “Tante Huskus”. Niet-leden kunnen deze bekomen tegen betaling van 30 cts., en op dikker papier à 50 cts. Voor alle bezitters van het Stamboek is het den aangewezen weg dit portret bij de andere te voegen of te plakken (stijfsel),.....”. Daarna vervolgt de voorganger van ons Bulletin met de resultaten van het familieonderzoek in Frankrijk in de 16 de- en 17 de-eeuwse bronnen. Veel is er veranderd sinds die tijd. Zo zijn wij nu in staat om - in tegenstelling tot de opsommingen van namen en de reproductie van een familieportret - artikeltjes over de familiegeschiedenis te publiceren en die rijk te illustreren. Gebaseerd op het veldwerk uit het verleden, de publicatie van onze stamboom in het Nederland’s Patriciaat (72 e jaargang 1988) en van de inventaris van ons familiearchief in 1996 en door nieuwe technieken kunnen wij de geschiedenis toegankelijk maken voor iedereen. Naast het Bulletin, waarvan wij u hierbij met plezier de 11de editie aanbieden en de website willen we ook de mondelinge overlevering in stand houden. Voor dit laatste, in combinatie met het gezelligheidsaspect en het verstevigen van de familieband, organiseert het bestuur een FAMILIEREÜNIE op ZATERDAG 7 APRIL in AMSTERDAM. Uit het programma kunt u opmaken, dat we er alles aan gedaan hebben om de reünie voor oud en jong aantrekkelijk te maken. Reserveer deze datum alvast in uw nieuwe agenda. Nadere informatie volgt nog in de komende maanden! Op deze wijze proberen wij zo goed mogelijk - binnen de ons beschikbaar staande vrije tijd - de doelstellingen van de op 24 november 1967 opgerichte Boissevain-Stichting in te vullen. Alleen op het gebied van het onderzoek in de vroege Franse bronnen zijn we nog niet veel verder dan onze voorgangers in 1939. Heeft u een voorstel voor een plan van aanpak?

Charles F.C.G. Boissevain,

voorzitter Boissevain-Stichting

 

Het Walenweeshuis

Onze familie heeft een speciale band met het grote gebouw waarin wij op 7 april 2001 wederom (na 1982 en 1985) een Boissevainreünie houden. Bijna drie eeuwen was het gebouw, onder de naam Hospice Wallon, een weeshuis en vervolgens bejaardenhuis. In 1955 verloor het zijn functie als weeshuis. In 1971 vertrok het hospice met zijn senioren naar een pand elders in de stad. Van 1753 tot 1761 hadden onze voorvader Jérémie Boissevain (zoon van onze stamvader Lucas, zie NP p 43) en zijn vrouw Marie Charlotte Du Chesne als "père et mère" de leiding in het Walenweeshuis. Omdat de familie in het pand woonde, mocht hun zoon Gédéon Jérémie er na zijn 16e verjaardag nog enkele jaren blijven wonen tegen betaling van ƒ 80 per jaar. Rond 1800 was diens zoon Daniël een tijdlang (vice)voorzitter van het bestuur, dat uit 4 regenten en 3 regentessen bestond.

Over Jérémie weten we overigens niet zo erg veel. Er is helaas geen dagboek van hem bewaard gebleven. De meeste informatie over hem is dan ook afkomstig uit een familiebijbel en uit aantekeningen van zijn vrouw, zijn zoon Gédéon Jérémie en zijn kleindochter Suzanna Elisabeth Huskus-Boissevain. Jérémie voorzag in zijn levensonderhoud met lesgeven in de Franse en Engelse taal. Hij had namelijk 3 jaar in Londen gewoond, waar hij ook zijn vrouw leerde kennen. Ook gaf hij tekenles en werkte hij als boekhouder voor diverse kantoren. De vaste aanstelling in het Hospice Wallon kwam dan ook financieel goed uit, al betekende ook dat hard werken. Naast de algehele leiding hield dat ondermeer ook in het geven van catechisatie en schoollessen aan de jongere weeskinderen. Oudere jongens kregen een vakopleiding en oudere meisjes naai- en handwerkles van zijn vrouw Marie Charlotte. Verder hield Jérémie toezicht op de aan het hospice verbonden bakkerij van de diaconie. Dit alles werd hem echter toch te veel en na ruim 8 jaar vroeg hij door zijn zwakke gezondheid in 1761 ontslag aan. Voor zijn inkomsten was hij nu weer aangewezen op zijn vroegere activiteiten, maar ruim ½ jaar later overleed hij.

De geschiedenis van het Hospice Wallon is altijd nauw verbonden geweest met die van de Waalse Kerk, de Eglise Wallonne. Deze ontstond in de 80-jarige oorlog, toen vele Franstalige protestanten uit de door het katholieke Spanje gedomineerde Zuidelijke Nederlanden (thans België) naar Holland uitweken. Een eeuw later kwam er met de Franse Hugenoten een nieuwe golf réfugiés die de kerk versterkten. Omstreeks 1700 telde Nederland 90 Waalse kerken (nu nog 14). Als eerste protestantse kerkgemeente kreeg de Waalse kerk behoefte aan een eigen weeshuis. Niet zo verwonderlijk, want vele Wallonen hadden nog geen poortersrecht en bleven daardoor van stedelijke voorzieningen verstoken. Daarom kochten de kerkeraad en de diaconie in 1631 een pand in de Amsterdamse Laurierstraat. Financiering geschiedde uit giften. Volgens sommige, niet meer te achterhalen, bronnen zou daaronder ook een royale schenking of legaat zijn geweest van Piet Hein, de admiraal die de Zilvervloot op de Spanjaarden buitmaakte. Het Hospice bezit nog een ingelijste gravure en een jaren later door een weesmeisje gemaakte primitieve tekening die deze schenking memoreren. Zinspreuk van het Hospice was (en is) "Dieu aime celui qui donne gayement". De dichter Joost van den Vondel droeg aan het weeshuis een gedicht op "Bede voor `t Waale Weeshuys, aen alle Christenen".

Dit (eerste) weeshuis werd echter te klein. Het werd verkocht. Met de opbrengst plus verdere giften werd in 1½ jaar een groot nieuw weeshuis gebouwd aan de Vijzelgracht, hoek Prinsengracht. Het werd in 1671 in gebruik genomen. Vóór de demping van de Vijzelgracht in 1929 moet het als kolossaal grachtenpand een zeer imposante indruk hebben gemaakt. De grond was gratis ter beschikking gesteld door de Stad Amsterdam. Architect was Adriaan Dorsman (o.a. ook bouwmeester van de ronde Lutherse koepelkerk). Het gebouw heeft twee ingangen: links (het huidige Maison Descartes / Institut Français) voor de meisjes en rechts (thans Frans Consulaat) voor de jongens. Ook binnen het gebouw werden meisjes en jongens strikt gescheiden gehouden. Reeds in 1683 onderging het gebouw een uitbreiding. In de aangrenzende Eerste Weteringdwarsstraat werd een vleugel aangebouwd, bestemd voor verzorging van oude vrouwen. In 1726 kwam aan de kant van de Prinsengracht een vleugel voor oude mannen. Maar net als bij de wezen bleven ook bij de bejaarden vrouwen en mannen strikt gescheiden. Echtparen werden dan ook niet opgenomen. Dat neemt niet weg, dat in 1766 in de vrouwenafdeling een oude man werd ontdekt toen hij ziek werd. Hij was er al geruime tijd, zogenaamd als schoonzus van een oude vrouw, die echter zijn echtgenote bleek te zijn. Aan de burgemeester werd toestemming gevraagd om hem uit het hospice te verwijderen, maar voordien overleed hij. Zijn medeplichtige vrouw werd echter ter kastijding "in het blok" gezet, De strikte scheiding werd later minder streng en is tenslotte geheel opgeheven.

Giften, soms zelfs zeer royale, hebben altijd een belangrijke rol gespeeld. Niet alleen voor de bouw, maar uiteraard ook voor de exploitatie. Zo liet een der regentessen, Madame Agneta de Ruusscher, néé de la Becq, in 1741 aan het Hospice een legaat na, bestaande uit "3 huysen en 3 agterhuysen" aan de Keizersgracht (tussen Leidsestraat en Spiegelstraat) met de bepaling dat deze "nooyt sullen mogen verkogt veel min belast of beswaert". Pas in 1970 kon juridisch aan deze bepaling worden ontkomen. Interessanter was een andere voorwaarde die zij aan het legaat verbond. Uit de (huur)opbrengst van de kapitale grachtenpanden moest een aantal zaken worden bekostigd, waar onder wekelijks aan elke bejaarde (destijds circa 60) 3 stuivers "ter verkwikking" en aan elk weeskind (toen circa 50) 2 stuivers. Het leukste was echter dat jaarlijks op haar sterfdag een feestmaal moest worden gegeven voor "supposten, oude luyden en kinderen", bestaande uit "15 gebraden schapebouten mitsgaders de halsjes en hieltjes en 12 pond ossevlees dienende tot soupé, en 1 pond gehakt vlees tot fricadelle, yder persoon een stuyvers brood, voor alle een anker (39 liter) goede franse wijn en yder een lood (half ons) coffy, en een halve dag uitgang tot verkwikking". Deze dag, in het hospice gevierd als "boutjesdag" was tot ver in de 19e eeuw een hoogtepunt van het jaar.

Robert Lucas (Bob) Boissevain,

Heemstede (NP p 74).

 

Goede wijn krijgt toch een krans

Er zijn heel wat Bergerac-wijnen door onze verre neven in omloop gebracht. Ze zijn nu niet direct van hoge klasse, maar zeer drinkbaar, zeker de rode. Onlangs dronk ik er één die duidelijk beter was dan ik gewend ben uit Bergerac: de “Baron de Lignac”. Misschien moeten we maar eens een collectie van alle Bergerac-wijnen aanleggen voor het familiearchief. Per adres de redactie van het Bulletin (de etiketten dan). Ook aardig is de wetenschap dat een verre neef Bouïssavy z’n heil heeft gezocht in Corbières, waar heel goede wijnen vandaan komen. Zijn achterkleinzoon heeft zijn wijn dan ook Château Le Bouïs genoemd en die was echt lekker.

Charles Boissevain,

Leidschendam (NP p 75)

 

Nederlandse Hugenoten Stichting

Zoals u in het financieel overzicht bij de uitgaven kunt lezen, betalen wij contributie aan de Nederlandse Hugenoten Stichting. Hoewel ons bestuur tot op heden nog niet in de gelegenheid is geweest actief in de evenementen van deze stichting te participeren, steunen we deze instelling en willen we er ook enige bekendheid eraan geven. Jaarlijks ontvangen wij een publicatie met interessante artikelen over de Hugenoten, een programma met lezingen, excursies en literatuursignaleringen. De stichting werkt samen met het Comité protestant des amitiés françaises à l’étranger. Zo was er afgelopen september een 12 de internationale bijeenkomst van afstammelingen van Hugenoten met een heel aardig programma in Bretagne (Frankrijk). U kunt ook persoonlijk lid worden.

Informatie: de heer F.A. du Corbier, Zacharias Jansestraat 13, 1097 CH Amsterdam, telefoon 020 - 694.47.53.

Het bestuur

 

Aanvullingen op het familiearchief

Blijkbaar hoeven we niet in elk Bulletin een oproep te plaatsen om familieleden ertoe te zetten om archivalia voor ons familiearchief aan te leveren. Ook zonder zo’n expliciet verzoek komen er correspondentie, foto’s e.d. naar ons toe. Belangrijke overwegingen daarvoor bij de schenkers zijn het goede beheer in het Gemeentearchief en de publicaties in het Bulletin. Een beschrijving van een selectie uit het materiaal dat ons in het afgelopen jaar werd aangeboden, toont hoe beelden van - en geschriften uit - het privéleven het publieke leven van personen kunnen “inkleuren” en nuanceren. Hopelijk vormt dit voor u een aansporing om thuis ook eens te kijken of er nog iets van vroeger naar ons toe kan.

Uit de nalatenschap van de in 1987 overleden Dieuke M.H. Boissevain, echtgenote van Carel M. Nienhuys (NP p 71) bereikte ons een voorgedrukt foto-album, dat in 1912 in beperkte oplage is gemaakt voor de 70ste verjaardag van Charles Boissevain (NP p 67). Dieuke is niet alleen een kleindochter van de bekende schrijver en journalist, maar heeft ook rechtstreeks zijn schrijverstalent met de paplepel ingegoten gekregen. Zo is zij bijvoorbeeld bekend van de roman “Discrete Dood” (uitgave A.W. Sijthoff, Leiden 1940). Via het album wordt aan de hand van een kleine 200 foto’s een beeld verkregen van het leven van Charles (1842 - 1927), waarbij het aardige is dat hierin de meer algemeen bekende portretten van - en spotprenten met - hem worden afgewisseld met plaatjes uit zijn privéleven. Het feit dat de foto’s een beschrijving hebben (iets wat meestal niet gezegd kan worden van de vele andere foto’s in ons familiearchief) maakt het document alleen nog maar waardevoller. Enkele voorbeelden: zijn geboortehuis in Amsterdam (1842), zijn vriendengroep ter voorbereiding van de industriële tentoonstelling te Dublin met o.a. zijn aanstaande schoonvader Hercules MacDonnell (1865), met een geitenkar op Duinvliet te Bloemendaal (1866), als eerste luitenant van de Schutterij (1870), op z’n driewieler (begin jaren ‘80), op een ezeltje in Egypte (1895), tussen de huisdieren op “Drafna” (1898), de afbraak van het oude Handelsbladgebouw (1902), tijdens het huwelijk van dochter Olga (1906) en in Nederlands-Indië (1908). Nogmaals zeggen wij de kinderen Nienhuys - Boissevain te Bussum hartelijk dank voor deze schenking!

Ook zijn wij dank verschuldigd aan archivaris in ruste mevrouw Engelina P. de Booy te Bilthoven. Behalve beroepsmatig is zij ook als achterkleindochter van Gideon Jeremie Boissevain (NP p 48) zeer geïnteresseerd in de geschiedenis van de families De Booy en Boissevain en in de door hen nagelaten archieven. Het familiearchief De Booy bevindt zich ook in het Gemeentearchief van Amsterdam en Engelina maakte er een inventaris van. Het grootste deel van het archief bestaat uit de dagboeken van Han de Booy, echtgenoot van Hilda Gerarda Boissevain (NP p 68). Hilda is een dochter van de hiervoor al genoemde journalist Charles. Naast de dagboeken zitten er brieven in het De Booyarchief: vrijveel van Hilda aan haar moeder, uit Ierland en uit Buitenzorg, verder wat brieven gericht aan de ouders van Engelina, waarin ook Boissevains voorkomen en tenslotte brieven van Charles Boissevain aan zijn 6 jaar oudere broer Jan (NP p 52). Vooral deze laatste zijn in dit kader van belang, want zij zijn geschreven in de periode 1865 - 1867, toen Charles in Ierland was, waar hij de Nederlandse inzending voor een tentoonstelling in Dublin moest regelen. Omdat deze brieven dus in het familiearchief De Booy zitten, is het niet alleen belangrijk dat Engelina er de aandacht op vestigt, maar ook dat ze ze in uitgetikte vorm aan ons heeft geschonken. Ze werpen (een leesbaar) licht op twee heel belangrijke jaren in het leven van haar grootvader Charles: hij heeft toen zijn vrouw leren kennen en hij vond er een bezigheid die hem goed lag, namelijk het schrijven van stukken in de krant. Hij schrijft aan Jan niet alleen over wat hem bij die tentoonstelling en de familie MacDonnell allemaal overkwam, maar ook over zijn toekomst, die hem als begin-twintiger toen nog lang niet duidelijk was. Het enige wat hij wist, was dat hij niet zijn hele leven op een kantoor wenste te zitten! Nou, daar heeft hij zich aan gehouden, gezien zijn vele reisverslagen.

Van Han en Anneke ter Haar uit Gellicum, goede vrienden van ons voormalig bestuurslid wijlen Daan L.G. Boissevain, ontving het familiearchief correspondentie van en aan Gideon Maria Boissevain. Zoals uit zijn biografie in het Nederland’s Patriciaat van 1988 (NP p 88) is af te leiden, was Gideon een belangrijk negentiende-eeuws bankier en financieel deskundige. In gedrukte vorm zijn o.a. van zijn hand bekend “Leniging en bestrijding van Armoede” (uitgave P.N. van Kampen & Zoon, Amsterdam 1885) en de “Prae-adviezen over de vraag: Behoeft onze bankwet herziening, hetzij in haar stelsel, hetzij in haar onderdeelen?” (uitgave Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek, Amsterdam 1902). Met deze wetenschap krijgen met name de brieven afkomstig van de president van de Javasche Bank, mr N.P. van den Berg, aan Gideon in de jaren 1887 - 1888 extra gewicht. Hieruit blijkt o.a. dat Gideon werd geconsulteerd voor een advies dat Van den Berg in 1888 uitgebracht aan de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Dit ging over de vraag welke invloed de terugkeer tot de zuivere zilveren standaard op de welvaart van de inlandse bevolking zou uitoefenen. N.P. van den Berg stond in 1890 overigens aan de basis van de vorming van de Koninklijke Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië, die in 1907 fuseerde met de Britse Shell. Interessante lectuur voor de liefhebbers van een stukje munthistorie en specialisten in moeilijk leesbare handschriften.

Het bestuur

 

Onder zeil

Bijna twee eeuwen is onze familienaam verbonden geweest met de scheepvaart en rederij. Van het laatste kwart van de achttiende eeuw tot en met het eerste kwart van de twintigste eeuw gaat het hierbij om het daadwerkelijk uitoefenen van activiteiten in de vracht- en passagiersvaart. Vervolgens leeft de naam Boissevain nog tot 1968 voort in de naam van een schip. In tegenstelling tot de periode van Jan Boissevain, zijn Stoomvaart Maatschappij Nederland en de Koninklijke Paketvaart Maatschappij is er weinig bekend over het scheepvaartbedrijf van de Boissevains in de periode eind achttiende eeuw tot ongeveer het derde kwart van de negentiende eeuw. Dat is de periode van Daniël (NP p 45) en de Retemeyers en van diens zoon Gideon Jeremie (NP p 48). Ons bestuurslid Jeroen kreeg enkele jaren geleden van Annemieke en Bram van Heel een reproductie toegestuurd van een schilderij van het schip “Jan Pieterszoon Coen” uit 1838. Hun (bet)betovergrootvader, genaamd Pieter Theuniszoon van Duyvenboode(n) was kapitein op dit schip en ook van hem stuurden zij een foto mee. Nader onderzoek in het scheeps- en redersregister van het Bureau Veritas te Parijs uit 1844, waarin allerlei gegevens vermeld staan van schepen ten behoeve van het verzekeringswezen, gaf mij wat meer informatie over dit schip. Het scheepstype is een driemastbark, gedurende de negentiende eeuw het belangrijkste vaartuig van de noordelijke handelsvloten. Het moet een prima schuit zijngeweest, want het kreeg in het register de aanduiding “5/6”, wat betekent dat het bijna het volledige vertrouwen geniet van het Bureau Veritas. Bij “6/6” is er sprake van een voortreffelijk schip. Ter algemene controle van het oordeel van Veritas geeft het bedrijf de datum waarop, waarop eenieder in de gelegenheid is om het schip persoonlijk te inspecteren. Je moest in die tijd tevoren goed weten met welk materiaal je je goederen veilig kon verzenden! Erbij aangetekend staat, dat het schip geschikt is voor verre reizen “zoo als aan gindsche zijden van de Kapen Hoorn en Goede Hoop”. De Jan Pieterszoon Coen is in 1838 in Alblasserdam voor de rederij Boissevain & Co gebouwd uit eikehout met veel koper- en ijzerbeslag, meet 564 ton, heeft twee dekken en onderging in 1840 enkele reparaties. Onze P. van Duyvenboode staat in 1838 genoteerd als kapitein en na hem zouden nog drie anderen hem opvolgen. In 1859 gaat de J.P. Coen over in het bezit van de Amsterdamse reder F.A. Jas, die het schip in Nederlands - Indië (het huidige Indonesië) in 1860 verkoopt. Pieter van Duyvenboode voer niet alleen op de J.P. Coen, maar ik kom hem in de bronnen van 1845 (Nederlandsch Zeemacht) ook tegen op de in 1841 gebouwde bark “Van der Werf” van de rederij Boissevain & Kooij. Daniël bezat in dat jaar nog twee andere schepen: de in 1839 gebouwde bark “Lucipara’s” en de “Amstel” uit 1841. Van twee barken die staan vermeld in Onze Voortrekkers, de “Fagel” en “Oranje en Nederland”, vond ik ook nog wat gegevens. De Fagel (ex Zeelust) is in 1856 in Amsterdam gebouwd en meet 595 ton. In 1863 werkte kapitein J.A. Knaap voor de rederij Boissevain & Co. In 1869 was kapitein W. Hessels zo onfortuinlijk om het schip in de wateren van Indië te laten stranden, alwaar het “als wrak eindigde”. De Nederland & Oranje meet 607 ton en is in 1851 in Amsterdam gebouwd en voer een jaar later onder leiding van kapitein L. Van der Plas voor Boissevain & Co. In 1874 wordt het schip als “vermist tussen Tessel en St John” opgegeven. Toen was het schip gelukkig al in handen van rederij P.A. van der Drift te Alkmaar. Voordat de ons zo bekende Jan Boissevain (NP p 52) in 1870 in de stoomvaart aan de slag ging, had onze familie dus al driekwart eeuw ervaring in de zeilvaart.

Charles F.C.G. Boissevain,

Den Haag (NP p 116)

 

Groningen en Berlage

De toezending van een boekje over een bouwhistorisch onderzoek naar het pand “De Drie Vlasblommen” aan de Hoge der A 7 te Groningen door de huidige bewoners, de heer en mevrouw De Jongh - De Vey Mesdagh, bracht ons opeens in contact prof dr Ursul Philip Boissevain (NP p 130). Ursul, o.a. hoogleraar in de Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Groningen, bezat en bewoonde het 17de eeuwse pand van 1899 - 1911. In zijn opdracht ontwierp de bekende architect H.P. Berlage twee nieuwe tuinkamers voor het huis. Deze ruimtes kwamen in de plaats van de luxe kamer en keuken uit circa 1700. De bijzondere vertrekken verkeren nog altijd in een prima staat en ademen nog altijd een “Berlagiaanse” sfeer. Deze sfeer kenmerkt overigens ook het hoofdhuis, dankzij een aantal toevoegingen en aanpassingen door Berlage. Vrijwel zeker is Ursul in zijn studietijd in Amsterdam met Berlage in contact gekomen. In het “Levensbericht van Ursul Philip Boissevain” (dat is opgenomen in het Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1930 - 1931 en dat een voortreffelijk overzicht biedt van het wetenschappelijk belang van dit familielid) lees ik: “Bij zijn verblijf te Rome in 1880 ging hij veel om met zijn vriend en verre bloedverwant, de architect Berlage. Hij leerde diens ontstellende eerlijkheid bewonderen, omdat hij gevoelde dat zij gepaard ging met grote artisticiteit. En toen later die eerlijkheid leidde tot het bouwen van de Amsterdamse Beurs, was hij één der eersten onder de leken die er de strakke schoonheid van begreep en verdedigde”. De huidige bewoners vinden het geen bezwaar wanneer leden van de familie Boissevain met hen contact opnemen voor een bezichtiging van het onlangs gerestaureerde pand.

Het bestuur

 

Pinguins op de “Boissevain”

In de Jubileumuitgave van de Vereniging van oud-personeel van de Koninklijke Java - China - Paketvaart Lijnen N.V. (Royal Interocean Lines) kwam ik onderstaande anekdote over het motorschip “Boissevain” tegen.

In oktober 1955 legt de Boissevain aan in de haven van het eiland Tristan da Cunha. Een zieke bewoonster van het eiland moest naar het ziekenhuis van Kaapstad worden getransporteerd. Zoals het een goed reder betaamd, werd meteen gekeken of er ook “handel” zat. En ja hoor, de extra kosten konden worden gedekt door de vrieskamers te vullen met een lading kreeft, die van een ander schip werd overgenomen. Maar ook kochten veel van de Chinese bemanningsleden levende pinguïns van de eilandbewoners met de bedoeling de dieren in Singapore met winst te verkopen. De vierde stuurman had echter drie vogels geruild voor enige blikken verf uit de scheepsvoorraad. Om zich in te dekken, schonk hij direct een pinguïn aan de kapitein en één aan de eerste stuurman. Dit bleek een slimme zet te zijn, want nu konden de vogels tevens worden gehuisvest in de badkamer van de kapitein en kon voor de voeding gebruik worden gemaakt van de voorraad kreeft. Ook werd een oogje dicht geknepen, wanneer de beesten los op het dek rondliepen. De bemanningsleden moesten echter grote hoeveelheden kreeft van de kapitein kopen, want de in totaal 25 dieren vertoonden een stevige eetlust. Toen later het schip in Singapore aankwam, bleek ook nog eens het aanbod van pinguïns veel groter dan de vraag. Al met al waren deze transacties van de bemanning van de “Boissevain” niet erg winstgevend!

Charles F.C.G. Boissevain,

Den Haag (NP p 116 )