Jaargang 2004, nummer 14

 

Voorwoord

Wanneer je dan in juni 2003 met vakantie bent in de Dordogne (Frankrijk), dan kun je er eigenlijk niet omheen om toch even naar Bergerac te rijden. En dat met zeer heet weer, dat de voorbode was voor nog vele warme dagen in de periode daarna! Toen we met de auto vanuit oostelijke richting (via Lalinde en Saint Capraise) Bergerac naderden, realiseerde ik mij dat het ergens in de jaren ’60 moet zijn geweest dat ik met mijn ouders daar eens was. Hoewel mijn vader toen vertelde over de voorgeschiedenis van onze familie, werd de plaats toch wat negatief afgeschilderd. Waarschijnlijk om de hoge verwachtingen van mijn broer en mij (opgepropt op de achterbank van een Fiat 500 stationcar!) wat te temperen (‘lelijk industriestadje’). Ik kan mij er eigenlijk ook niets meer van herinneren. De enige herinnering is die aan een prentbriefkaart met vier kleine stadsgezichtjes in van die fletse jaren ’60 kleuren. Niet alleen heb ik die kaart in mijn album, maar ik kreeg hem in de loop van de decennia daarna van diverse bezoekers aan Bergerac ook nog eens toegestuurd. Door dit alles had bij mij het idee postgevat, dat het niet veel kon zijn. Hoe anders was het beeld afgelopen zomervakantie. Een mooie autovrije binnenstad vol historische gebouwen, bloemen overal, een vlooienmarkt en gezellige eetterrasjes op de straat. Het was een paar uur genieten daar met een wandeling door de oude stad (de Hervormde Kerk was dicht), lunch en bezoeken aan het tabaksmuseum annex plaatselijk historisch museum. Het laatstgenoemde was niet alleen vanwege de airconditioning een prettige plek om te verblijven, maar ook omdat ik via via in de lokale archiefbewaarplaats terecht kwam. Langs de wanden allemaal prachtig ingebonden folianten met doop-, trouw- en begraafregisters uit de 16e en 17e eeuw. De toelichting van de archivaris leerde mij, dat hierin ongetwijfeld voorouders te vinden zouden zijn, mits ze maar in de plaats Bergerac zelf hadden gewoond. De gegevens van de voorouders uit de omgeving zijn te vinden in het regionale archief in Perigeux, de gemeente die destijds de Hugenoten nog het meest dwars zat. Omdat de gegevens (van een doop bijvoorbeeld) op tijdsvolgorde staan geregistreerd, moet je ze wel allemaal pagina voor pagina met de vinger langsgaan en moet je de diverse varianten op Bouissavy wel in je hoofd hebben. Nou ja, daar hadden we nu even geen tijd voor. Later wel eens een keer, wanneer ik gepensioneerd ben. Overigens, het archief is voor iedereen toegankelijk, dus voel je vrij aan de slag te gaan. Binnen onze familiestichting is hard gewerkt aan onze website. Steeds meer functies werden eraan toegevoegd en het is eigenlijk zeer de moeite waard om een kijkje te nemen en te reageren. In ieder geval hebben we nu reacties gehad van familieleden, die we eerst niet hoorden. Hopelijk kunnen we hierdoor ook wat meer familie-informatie uit de USA en canada krijgen, want die landen blijven wat achter, terwijl daar het grootste deel woont.

In ieder geval wenst het bestuur u een voorspoedig 2004 en veel leesplezier toe.

Charles F.C.G. Boissevain,

voorzitter Boissevain-Stichting

 

Boissevains in de financiële wereld

Onze stamvader Lucas had in Nederland als refugié nog geen makkelijk leven. Ook zijn zoon Jérémie had nog moeite het hoofd boven water te houden. Zijn kleinzoon Gideon Jeremie I klom al duidelijk op de sociale ladder en bewoonde een mooi huis aan de Keizersgracht in Amsterdam. De echte opkomst begon bij diens twee zoons: Daniël I (1772-1834) en Henri Jean. Zelf was Daniël nog werkzaam in de (internationale) handel. Ook twee van zijn zoons (Gideon Jeremie II 1796-1875, en Charles Faber 1806-1886) begonnen hun carrière in de handel, maar werden al gauw scheepsreders. Met twee andere zoons – Daniël II (1804-1878) en Eduard Constantin (1810-1878) – en hun zoons en kleinzoons begon een lange periode in de financiële wereld van de 19e en begin 20e eeuw waarin tal van Boissevains belangrijke posities bekleedden. Voornamelijk in Amsterdam, maar ook in Londen en New York. Sommigen als commissionair in effecten, anderen als lid/partner van een bankiersfirma, en enkelen als assuradeur. Daniël en Eduard Constantin waren in 1836 (mede)oprichters van de commissionairsfirma Holjé & Boissevain, later omgedoopt in Gebr.Boissevain. Deze firma bleef tot ver in de tweede helft van de 20e eeuw bestaan. In of vlak na de Tweede Wereldoorlog echter werden de handelsactiviteiten gestaakt en werd het bedrijf een vooraanstaand administratiekantoor voor Amerikaanse aandelen. Als laatste Boissevain legde Gulian Daniel Willem (1891-1973, kleinzoon van Eduard Constantin) de leiding neer in 1953. Van de zoons van Daniël kwam er één (en later diens twee zoons) ook in dat bedrijf, vier andere begonnen er wel hun loopbaan, maar ontwikkelden zich tot prominente bankiers. De financiële wereld van destijds was totaal anders dan de tegenwoordige. Het effectenbedrijf in Amsterdam was nogal ongeorganiseerd. De stad bezat een beursgebouw tot midden in de 19e eeuw, echter onoverdekt dus meer een ommuurde binnenplaats. Aanvankelijk kon iedereen aan de handel deelnemen; regels waren er niet. De nu zo bekende handelsbanken met vele bijkantoren en met een gevarieerde financiële dienstverlening op het gebied van betalingsverkeer, ontvangen en uitlenen van gelden en vaak ook bemiddeling in het effectenverkeer kwamen pas na 1900 tot ontwikkeling. Ze waren wat log in tegenstelling tot de particuliere bankiers die met inventiviteit en netwerk van relaties, zeker ook internationaal (vooral in Londen en New York) slagvaardiger konden werken. Deze bankiers kwamen voort uit de handelsbedrijven in bijvoorbeeld granen, katoen, tropische producten, en gingen deze financieren, in belangrijke mate met hun eigen vermogen. Zo ook diverse Boissevains.

De zoons van Daniel die het bankvak kozen deden dit op zeer verschillende manier. De oudste, Gideon Marie (“Gi Mi”, 1837-1925), verliet het effectenbedrijf Gebr.Boissevain als partner en werd medeoprichter van de Kas-Vereeniging, thans KasBank genaamd. Veel bekendheid kreeg hij als econoom en vooraanstaand adviseur van de Nederlandse regering. Zijn jongere broer Mijnhard Johannes (1845-1917) was partner in de firma`s Baak & Boissevain en Buyn & Boissevain en richtte vervolgens de firma M.J.Boissevain op. Deze laatste valt aan te duiden als “promotors”, het via relaties in contact brengen van kapitaalzoekende bedrijven met vermogende particulieren. Mijnhart werd ook nog enige tijd mededirecteur van de Banque de Paris & des Pays-Bas. Een van zijn zoons werd bankier in New York. Over een derde zoon van Daniel, n.l. Athanase Adolphe Henri (1843-1921) is in het Boissevain Bulletin reeds enkele malen geschreven. Met een Amerikaanse zakenvriend richtte hij 1875 de firma Adolphe Boissevain & Co. op, aanvankelijk voornamelijk gericht op introductie van Amerikaanse effecten op de Amsterdamse beurs en effectenarbitrage tussen New York, Amsterdam en Londen. In deze laatste stad richtte hij ook de firma Blake, Boissevain & Co. op, waarin ook zijn jongste broer Louis Daniel werkte. Geleidelijk ontwikkelde de firma Boissevain & Co zich steeds meer tot een vooraanstaand bankiersbedrijf. Adolph verwierf zich in Amerika een sterke positie bij de ontwikkeling van de spoorwegen. Als financier was hij nauw betrokken bij o.a. de Canadian Pacific en de Norfolk & Virginia en hij speelde een belangrijke rol bij de reorganisatie van de Union Pacific. Ook in Nederland bekleedde Boissevain & Co. een vooraanstaande positie bij belangrijke financieringsoperaties. Zo nam in 1914, toen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een aantal beurspartijen in moeilijkheden kwam, de firma als één na grootste voor 10% deel in een door banken en bankiers opgezet steunsyndicaat. De naam van de firma werd later gewijzigd in Pierson & Co, thans bekend als Mees, Pierson.

Robert Lucas (Bob) Boissevain (NP p74)

 

Wilde Edna

Uit diverse bronnen via het internet verkreeg de redactie van het Boissevain Bulletin een beeld van Edna St. Vincent Millay, de tweede vrouw van Eugen Jan Boissevain (NP p 69) en de tijd waarin zij leefde. We laten de besprekingen van haar biografie spreken.


Liefhebbers van het boek Zelda, Nancy Milford’s geruchtmakende en uitstekend verkopende biografie over F. Scott Fitzgerald’s gepijnigde vrouw en inspiratiebron, hebben vanaf 1970 ongeduldig gewacht op het door Milford beloofde vervolg. Dat vervolg zou dan moeten gaan over Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950).

Liefhebbers van het boek Zelda, Nancy Milford’s geruchtmakende en uitstekend verkopende biografie over F. Scott Fitzgerald’s gepijnigde vrouw en inspiratiebron, hebben vanaf 1970 ongeduldig gewacht op het door Milford beloofde vervolg. Dat vervolg zou dan moeten gaan over Edna St. Vincent Millay (1892 - 1950). Het is inmiddels verschenen en de lezer wordt niet teleurgesteld. Milford’s levendige verhaal schildert een elektrisch geladen persoonlijkheid met psychologische scherpzinnigheid, terwijl hij tegelijkertijd de ontspannen atmosfeer van het Amerika in de turbulente jaren ’20 na de Eerste Wereldoorlog goed in beeld brengt. Nadat Millay op 20-jarige leeftijd Renaissance had gepubliceerd en naar Greenwich Village was verhuisd, was zij de koningin van de onconventionele kunstenaars. Zij nam met enthousiasme de ene aanbidder na de andere en vertolkte de onbezorgde vrolijkheid van haar generatie in haar bekende tekst ‘Mijn kaars brandt aan twee kanten; het duurt dan wel niet de hele nacht; maar, ah, mijn tegenstanders, en, oh, mijn vrienden; het geeft een prachtig licht’.

Met haar vlammend rode haar, melkwitte huid en een stem die het publiek deed trillen (waardoor het voorlezen van haar gedichten een welkome bron van inkomsten was) was Millay het archetype van de ‘nieuwe vrouw’: krachtig en gepassioneerd. Je kon er niet omheen. Maar Milford stelt heel duidelijk, dat haar eerste loyaliteit, die aan haar moeder en zusters was en dat haar grootste betrokkenheid bij haar auteurschap lag. Deze sappige kroniek van haar leven bevat veel bekende namen. De criticus Edmund Wilson en uitgever van Masses Floyd Dell behoorden tot de mannen die ten gronde gingen aan haar weigering om trouw te blijven en aan haar losbandigheid. Millay was een zware drinkster en raakte verslaafd aan de morfine. Deze wetenschap geeft ook een goede kijk op de wijze waarop de artieste materiaal uit haar eigen leven putte en zij de bronnen van haar creativiteit voor de buitenwereld afdekte. De biografie wordt afgewisseld met korte passages uit de interviews met Norma, de jongere zuster van Edna en bezorgster van haar literaire nalatenschap. Zij bieden een intrigerende kijk op het complexe proces, waarmee en biografie tot stand komt. Het vervaardigen van het zeer onderhoudende boek is een krachttoer geweest.

In 1923 was Edna St. Vincent Millay de eerste vrouw die de Pulitzerprijs voor de dichtkunst won. Om haar biografie te schrijven, benaderde Milford (wiens andere belangrijke publicatie de hoog geprezen en uitstekend verkopende biografie Zelda was) Norma Millay’s jongere zuster en enige erfgenaam. Norma gaf de auteur toegang tot de honderden persoonlijke papieren, brieven en aantekenboekjes van Edna Millay. De informatie uit dit buitengewone archief wordt door Milford samengevoegd met Millay’s grootste gedichten, ontvangen en verzonden brieven, reacties van vrienden en opmerkingen uit de uitgebreide interviews met Norma tot een ordentelijk en aansprekend verhaal. Het resultaat is een intieme kijk op een complexe, charismatische en imperfecte vrouw, die zowel bewondering als sympathie oproept. Tussen de minder glamoureuze openbaringen zitten de soms verwoestende verstrengelingen van het leven van de dichteres met die van haar moeder en twee zusters, Millay’s vrije seksuele verkeer en mysterieuze bekoorlijkheid en de dynamiek van haar 27-jarige huwelijk met een man, die haar aanbad en stimuleerde, terwijl hij haar ontrouwheden en verslavingen mogelijk maakte. Milford’s uitgebreide portret van Edna is een eerbetoon aan de eruditie, weerstandvermogen en betrokkenheid bij het echte handwerk van de biograaf. Het boek kan dienen als een voorbeeld van een hoogst leesbare biografie, maar ook als een standaard voor toekomstige aan Millay gewijde studies. Aanbevolen voor bibliotheken.

Onderzoekers van Millay werden tientallen jaren teleurgesteld door de ontoegankelijkheid van een rijke bron aan brieven, dagboeken en andere privé-papieren die nauwlettend werden bewaakt door Norma, de zuster van de dichteres. Milford, de auteur van Zelda (1970), de uitstekend verkopende biografie over Zelda Fitzgerald, verwierf stapje voor stapje het vertrouwen van Norma gedurende de jaren ’70. Nu biedt zij de eerste omvangrijke en geautoriseerde biografie aan over de eerste vrouw die de Pulitzerprijs voor poëzie won.

Millay was roodharig, had groene ogen, vroeg rijp, onafhankelijk en verleidelijk. Ze werd in 1892 geboren in Camden (Maine, USA) en was de oudste van de drie dochters van een gescheiden en rebelse moeder. Als meisje begon ze al te schrijven en haar briljante en originele gedichten leverden haar prijzen en beschermheren op. Die laatsten stuurden haar naar Vassar, waar ze een groot aantal liefdesaffaires had met jonge vrouwen en oudere mannen. Eenmaal gevestigd in Greenwich Village schreef de onvermoeibare en geile Millay haar gedurfde doch lyrische collectie gedichten, die op het hoogtepunt van de depressie bij tienduizenden werden verkocht. Milford is zowel nauwgezet als dynamisch in haar benadering van Millay’s pioniersarbeid en haar gecompliceerde tegenstrijdige leven, dat zij had tot en met het trieste en dramatische einde. Milford gaat door met het toe-eigenen van deze grote Amerikaanse dichteres, door haar redactie van een toekomstige editie van Millay’s vuur-en-vlam-poëzie in Modern Library.

Thomas Hardy heeft eens gezegd dat Amerika twee grote attracties heeft: de wolkenkrabbers en de poëzie van Edna St. Vioncent Millay. Als de meest bekende dichteres uit het Jazztijdperk veroverde Millay de natie: ze rookte in het openbaar, had veel liefdesrelaties (mannen en vrouwen, singles en paren), bespotte op sensationele wijze de kleinburgerlijke gewoontes en werd de belichaming van de Nieuwe Vrouw.

Dertig jaar na haar markerende biografie over Zelda Fitzgerald zien we Nancy Milford terug met een beeldend portret van deze gepassioneerde en angstloze vrouw, die Amerika net zoveel in har ban hield als dat ze zichzelf kwelde. Savage Beauty is een topbiografie en werd door USA Today in de top tien van de boeken gekozen. Millay was van Amerikaanse oorsprong. Een van die zelden voorkomende karakters als Sylvia Plath en Ernest Hemmingway, wier levens minstens zo dramatisch waren als hun kunst.

 

Willem Frederik Lamoraal Boissevain (1852-1919)

Op 5 april 1919 overleed op 66-jarige leeftijd de oud-resident W.F.L. Boissevain (NP p 138). Een krachtige persoonlijkheid, een sieraad van het corps B.B. (red.: Binnenlands Bestuur) was hij gedurende zijn meer dan vijf en dertigjarige diensttijd, waarin hij achtereenvolgens alle rangen vanaf aspirant-controleur tot resident doorliep. Geboren te Arnhem, 28 november 1852, trad hij in 1874 in de Indische dienst en was controleur in de gewesten Japara en Cheribon.

Na zestien jaren dienst werd hij assistent-resident van Blora (1890), om vervolgens deze afdeling te verwisselen met de afdelingen Berbek (1892), Toeban (1897) en Toeloeng Agoeng (1899). Vooral in de afdelingen Blora en Toeban had hij gelegenheid zich als een flink politieman te doen kennen. Ruim acht en twintig jaren waren er na zijn indiensttreding verlopen toen Boissevain benoemd werd tot resident van Madioen. (Men ziet de promotie ging in die dagen niet schitterend!) Een niet gemakkelijk te besturen gewest, met zijn grote particuliere industrie. De suikercultuur, die zulk een grote invloed uitoefent op de economische ontwikkeling der inlandse bevolking, mocht Boissevain niet tot zijn vrienden tellen. Hij zag de voordelen, die deze cultuur onmiskenbaar heeft voor de materiële welstand der bevolking niet over het hoofd, doch hij wist bij ondervinding dat de nadelen zeer groot waren, dat de inlander nu eenmaal een slecht financier is en zijn grond verhuurt aan de suikerfabrikant voor een bagatel, om ten slotte van gezeten landbouwer tot dagloner af te dalen. En toen, zestien jaren terug, waren de grondhuurprijzen werkelijk ook buitengewoon laag; gaande weg is zulks beter geworden. Na vier jaren in het gewest Madioen met krachtige hand te hebben bestuurd, werd resident Boissevain in 1907 door de regering geroepen naar de zich meer en meer ontwikkelde residentie Preanger-Regentschappen. Er was daar een krachtig bestuurder nodig en de keuze viel op de man, die getoond had zonder aanzien des persoons te kunnen optreden en zeker wel aan de verouderde toestanden in dit gewest een eind zou weten te maken.

Vier jaren, van 1907 tot 1911 (slechts onderbroken door een half jaar verlof naar Europa, met behoud van betrekking, een unicum), bestuurde hij dit belangrijke gewest en men gevoelde al spoedig dat er een nieuwe frisse wind vanuit Bandoeng over de Preanger-afdelingen, met harde feudale regenten, die zich nog zo’n beetje inlandse vorsten voelden, ging waaien.

Tegenstand, lijdelijk verzet, bleven niet uit; maar toestanden, die reeds sinds lang niet meer op overig Java bestonden, moesten veranderen, verouderde inzichten moesten plaats maken voor nieuwe ideeën. Het was duidelijk, deze resident speelde er niet mee; wat hij meende dat gebeuren moest, geschiedde; hij was wel een autocraat, hij was de man van het “l’état c’est moi”, maar in die tijd was zulks nodig; het bestuur der Preanger was langzamerhand verslapt, de zaken waren slechts gaande gehouden; er was geadministreerd, niet bestuurd en onder de inlandse ambtenaren was een soort van familieregering ontstaan, die allernoodlottigste gevolgen had. Daaraan is door Boissevain een einde gemaakt en toen hij in 1911 aftrad kon hij het bestuur van het gewest in handen van zijn opvolger overgeven, in heel wat betere toestand, dan waarin hij het had ontvangen. Slechts acht jaren heeft hij van zijn welverdiende rust, na zo’n welbesteed leven, mogen genieten, maar de belangen van het corps B.B. bleef hij nog behartigen, daar hij geruime tijd zitting had in het bestuur der Vereniging van Ambtenaren bij het B.B. Met Boissevain is een der krachtigste figuren van het B.B. uit een thans afgesloten periode heengegaan. Man van daden, niet van woorden en “papieren brieven”, placht hij snel te handelen, zonder eerst angstvalig te vragen “is er wel een antecedent” of “wat zeggen de bepalingen?” Het spreekt van zelf dat zulk een man in de smaak moest vallen van de Gouveneur-Generaal van Heutsz, die zijn adviezen op de hoogste prijs stelde en daarvan meermalen ondubbelzinnig blijken van gaf. Een zetel in de Raad van Indië scheen voor hem niet bestemd, doch werd door een ander resident van Java, jonger in dienst dan hij, bezet. Dat dit hem griefde spreekt van zelf en was met nog andere teleurstellingen in de dienst, gedurende het jaar 1910, wel de oorzaak dat hij begin 1911 zijn pensioen vroeg op 58 jarige leeftijd, nog in de kracht des levens. Naar populariteit streefde hij niet; hij was streng in de dienst, streng ook voor zijn ondergeschikten, vorderde veel van hen, maar steunde ook zijn ambtenaren, waar zulks nodig was, stond voor hen op de bres. Ofschoon autocraat, dreef hij geenszins zijn mening à tort et à travert door, als men op goede gronden kon aantonen dat die aanvechtbaar was. Dan gaf hij toe en apprecieerde dat men rond voor zijn gevoelen uitkwam. Als resident van Madioen ontving hij het ridderkruis van de Nederlands Leeuw, een welverdiende onderscheiding, maar groter onderscheiding is dat zijn naam zal voortleven bij het corps voor welks belangen hij steeds op zo energieke wijze opkam.

R.I.P. van Bijleveld, ’s-Gravenhage

april 1919

 

Boissevain en Neptunus

Aanstaande 23 juli precies 30 jaar geleden kwam ik in Amsterdam in het bezit van een Neptunus-diploma, uitgereikt op de ‘Boissevain’. 1974 was in mijn studententijd en ik kreeg het op karton geplakte ‘passagebewijs’ van Roland Pessers. Dat was een buurjongen uit mijn jeugdjaren in Oisterwijk (NB), die nog wel eens rommelmarkten afstroopte. Achterop had hij geschreven: ‘Voor Charles’ verjaardag, Dat deze familieprent altijd een plaats aan de muur mag hebben, op straffe van mijn ongenoegen’.

Nadere bestudering van het diploma leert iets over de ‘Boissevain’ en de Neptunus-dooppartijen bij het passeren van de evenaar en over de laatste fase in de glorietijd van de grote stoomvaartmaatschappijen en in onze koloniale geschiedenis in Indië. Een tipje van de sluier wordt opgelicht .

Het diploma

De tekst van het diploma luidt aldus:

IK NEPTUNUS, GOD VAN ALLE ZEËEN

Beschermheer van alle Zee-meerminnen, Schatkistbewaarder

van alle schatten, die overboord gegooid worden enz., enz., ver-

klaar hiermede, dat: Sold. 1 e kl. Maas, J.K. I-2-R.lt.LuA

den 18 Mei van het jaar 1947 de evenaar is gepasseerd en

in mijn oogen geschikt is bevonden om alle gevaren in het verre

Oosten te trotseren, om na gedane dienst wederom over mijne

zeëen veilig naar huis geleid te worden. Daarom wordt een

ieder er op gewezen, dat houder dezes, mocht hij Landrot

die hij oogenschijnlijk is, wederom mijn gebieden bevaren

hem alle eerbewijzen toekomen, hem door mij verleend op

straffe van mijn ongenoegen.

ALDUS OPGEMAAKT AAN BOORD VAN m.s.‘Boissevain’

o/l de C.O.T.

De Lt.-Kol. Der Art.

Tuytel

 

Het schip

De ‘Boissevain’ deed gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940 – 1945) dienst als troepentransportschip. Ik schreef daar al eens over in een eerder Boissevain-Bulletin. Op 4 mei 1946 werd het schip door de rijksoverheid weer terug gegeven aan de KPM (Koninklijke Paketvaart Maatschappij), de rederij die in 1888 mede door Jan Boissevain (NP p 52) was opgericht. Omdat het schip voor troepentransport was ingericht, werd het door de Nederlandse regering nog een kleine twee jaar gehuurd voor de aan- en afvoer van Nederlandse militairen. Deze dienden in het voormalige Nederlands-Indië het gezag van het moederland te handhaven. In mei 1947 vond de laatste van deze reizen plaats, waarna het schip vanaf juli 1947 bij Taikoo Dockyard in Hong Kong weer tot passagiersschip werd omgebouwd. Tijdens deze ombouw kreeg de ‘Boissevain’ de kleuren van de KJCPL (Koninklijke Java-China-Paketvaart Lijnen). Dit is de naam van de rederij, die op 1 juli 1947 ontstond uit de fusie tussen de eerder genoemde KPM en de Java-China-Japan Lijn (JCJL). Vervolgens werd het schip, samen met zijn zusterschepen ‘Ruys’ en ‘Tegelberg’ ingezet op de dienst tussen het Verre Oosten en de oostkust van Zuid-Amerika via Zuid-Afrika.

De reis

Voordat m.s. ‘Boissevain’ in Hong Kong werd omgebouwd, maakte het in mei 1947 zijn laatste reis als troepentransportschip. Het ging hierbij om het transport van een tweede regiment luchtdoelartillerie, bestaande uit 1.000 man van de D-divisie ook wel de ‘Palmboom-divisie’ geheten. Eigenlijk betrof het een voor de deelnemers wat raar transport, want al in maart 1947 was duidelijk dat de luchtdreiging van de Indonesiërs vrijwel afwezig was. Het regiment luchtdoelartillerie zou daarom uiteindelijk gebruikt worden om tekorten aan personeel bij andere onderdelen aan te zuiveren en zo kwamen de mannen ter beschikking van de kwartiermeester generaal (KMG). De KMG was de verantwoordelijke man voor de bevoorrading en de uitrusting van het leger. De afdeling Dienst der Vervoersregeling was verantwoordelijk voor het vervoer van de troepen, die naar Nederlands-Indië gingen. Het stempel op het diploma bevat dan ook de inscriptie ‘Dienst van den Kwartiermeester – Generaal, Afd. Dienst der Vervoers-Regeling, M.S. Boissevain, C.O.T.’. De afkorting C.O.T. staat voor Commanding Officer Troops, dat is dus de commandant over de op het schip vervoerde troepen.

Op 25 april 1947 scheepten de militairen te Amsterdam in op de ‘Boissevain’, die zich om 17.30 uur losmaakte van de kade. Aan boord bevond zich het 1 e bataljon van het 2 e regiment lichte luchtdoelartillerie (1-2-R.lt.Lua), waarvan het 17 e korps AAT (Aan- en Afvoertroepen) deel uitmaakte. Soldaat J.K. Maas was één van hen en luitenant-kolonel A. Tuytel was zijn baas.

Op 6 mei passeerde men de Keerkring en op 17 mei was de aankomst te Sabang op het noordelijkste puntje van het Indonesische eiland Sumatra. De volgende dag passeerde het schip om 14.20 uur de evenaar, het moment waarop het diploma betrekking heeft. Op 20 mei bereikte men zijn bestemming Batavia (nu Jakarta, hoofdstad van Indonesië).

Het ritueel

Hoewel op het diploma staat vermeld, dat het werd uitgereikt bij het passeren van de evenaar, is dit niet helemaal juist. De evenaar werd gepasseerd in de Straat van Malakka, even ten zuidwesten van Singapore. Dit was een kort en druk bevaren traject, waarbij geen gelegenheid was om Neptunusfeesten te arrangeren. Daarom werden de dooppartijen voor de opvarenden die dit voor het eerst meemaakten in werkelijkheid gehouden bij het passeren van de Kreeftskeerkring in de Indische Oceaan. De doopplechtigheid had een ontgroeningachtig karakter waarbij niet op een emmertje water meer of minder werd gekeken. Voor de ruim 120.000 militairen van de Koninklijke Landmacht, die tussen 1945 en 1949 in het voormalige Nederlands-Indië dienden, was dit ritueel een welkome afwisseling tijdens de één maand lang durende overtocht. Waarom soldaat Maas niet beter op zijn stoffelijke herinnering aan dit moment heeft gepast, is mij een raadsel.

Charles F.C.G. Boissevain, Deventer (NP p 116)

 

Amsterdamse dissidenten

Acht mensen dineren op een zaterdagavond gezamenlijk in een restaurant. De mensen zijn alle acht familie van elkaar, maar kennen elkaar niet. De eigenares van het Portugese Restaurant Estoril aan de Daniël Stalpertstraat in Amsterdam begreep het ook niet helemaal, geen reden echter ons minder hartelijk te ontvangen.

Wat te doen wanneer je als A. Boissevain te Amsterdam zo nu en dan wordt gebeld of aangeschreven door een wildvreemde, met een boodschap bestemd voor inderdaad ene A. Boissevain te Amsterdam, maar jij bent het niet. Negen Boissevains meldt het telefoonboek maar liefst, van wie echter slechts één bekende. Een familiereünie zou in zo'n geval uitkomst kunnen bieden. De frequentie en de grootschaligheid hiervan staan nadere kennismaking met dorpsgenoten soms echter enigszins in de weg. Weliswaar wordt op deze gelegenheden getracht de deelnemers met elkaar in gesprek te laten raken door ieder een voornaam op te spelden, de woonplaats van de betrokkene wordt hierbij doorgaans niet vermeld. Begrijpelijk, want geen officiële genealogische indicatie. Zelfs al zou deze bovendien op het revers prijken, dan nog is de kans dat men temidden van de doorgaans 300 aanwezigen op zo'n gelegenheid met elkaar in gesprek raakt gering. Hier moest iets op worden gevonden. Welke nut heeft het familieleden in de Verenigde Staten als je beste vrienden te beschouwen, terwijl je je eigen plaatsgenoten, die toch immers jóuw achternaam dragen, nog niet eens kent? 'Een goede buur…': wat is daar eigenlijk mis mee? Zou het niet mogelijk zijn in ieder geval die mensen eens bij elkaar te krijgen die ook in het telefoonboek zo gemoedelijk onder elkaar staan? In geval van verkeerde adressering zou het dan toch tenminste enige helderheid kunnen scheppen naar wie door te verwijzen.

En zo kwam het dat op een zaterdagavond in april van dit jaar acht Boissevains te Amsterdam samen genoeglijk om een tafel met Portugese tapas belandden: Sacha, Wim, Annemie Marianne, Saskia, Huub, Stans en Aviva. Een voorstelrondje bleek hard nodig: de meeste mensen zagen en spraken elkaar immers voor het eerst. Wie was er eigenlijk in Amsterdam geboren? Hoe kwam men hier verzeild? Bij het horen van de levensverhalen bleek het Hugenotenbloed bij alle acht gelukkig nog volop aanwezig: het vluchtmotief, voor Saskia, Marianne en Aviva in eerste instantie de belangrijkste reden de benauwde woonplaats van destijds in te ruilen voor de koningin der dorpen; het journalistenbloed, door dezelfde Marianne eveneens vertegenwoordigd; de Franse slag, nog altijd aanwezig in de persoon van Wim le Rütte (zoon van de jong gestorven Heleen Boissevain); het kunstzinnige, vertegenwoordigd door Annemie (Stichtingsbestuurslid) en Stans; de koopmansmentaliteit, ten volle benut door Huib, econometrist en medeoprichter van het succesvolle beleggingsbedrijf Annexum Invest; en tenslotte het waardige, geboren en getogen Amsterdamse, van opus internum tot opus ad extra in de persoon van grand old lady Sacha. Zelfs het mislukken van de foto die op deze gedenkwaardige avond van de aanwezigen werd genomen was natuurlijk geheel in stijl met de Hugenotische afkeer van af(gods)beeldingen.

Hoewel door het familiebestuur beschouwd als ondergrondse dissidentenbeweging, mag duidelijk zijn dat dit geenszins het geval is: allerminst ondermijnend, doch slechts ondersteunend en integratie binnen de familie bevorderend. Wij hopen een voorbeeld te hebben gegeven voor de vele familieleden elders in het land en wellicht een toon te hebben gezet voor een nieuwe traditie: naamgenoten aller dorpen verenigt u, op kleinschalige, persoonlijke wijze. Dan kunt u er op de volgende reünie weer een paar overslaan, in de wetenschap deze vroeger of later toch wel te zullen spreken. De Amsterdammers kijken terug op een zeer geslaagde avond en plaatsen hierbij daarom de volgende oproep aan ieder die op een of andere wijze geparenteerd is aan de familie Boissevain (het dragen van de achternaam is niet verplicht) en woonachtig in Amsterdam: geeft u uw gegevens door aan ondergetekende, dan hopen wij u op het eerstvolgende sfeervolle en intieme familiediner in 2004 te mogen begroeten. Van harte welkom.

Aviva Boissevain (NP p 76)

 

Varia

Alles in drieën

Op de 3e dag van de 3e maand van het 3e jaar van het 3e millennium werd het 3e kind van Sue Boissevain en Ron Post geboren.

Taaie voorouders

Onze voorouders waren vaak taai. Fysiek was hun leven veel minder makkelijk dan het onze, zoals blijkt uit een fragment van een brief van Gideon Jeremie Boissevain (1796-1875) aan zijn tante Susanne Elisabeth Huskus-Boissevain (1783-1870);

“Bij deze koude doet het mij veel genoegen, dat onze Beurs overdekt geworden is, want dat staan een vol uur in de open lucht bij 10 à 12 graden was niet aangenaam (Opm. bedoeld is Fahrenheit, d.w.z. –11 à –12 graden Celsius). Ik heb het toch 34 jaar volgehouden. Onze naneven zullen het niet kunnen begrijpen dat wij zoo verhard waren”

 

Zegelring voor een Boissevain

In voorgaande Bulletins is het onderwerp “Familiewapen en zegelring” ter sprake gekomen. De laatste tijd is de zegelring weer populair nadat er vele jaren een beetje twijfelachtig naar gekeken werd (bekakt en niet jeugdig). De jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, waarin de zegelringen in de laadjes verdwenen, liggen achter ons. We zien nu weer een generatie die graag een zegelring draagt. Bij de familiestichting komen nog steeds vragen binnen over de juistheid van bepaalde vormen en wat nu wel ‘mag of niet mag’.

Ten eerste: in principe mag alles. Iedereen is vrij te dragen wat hij/zij wil. Of iets hoort of niet hoort doet niet altijd ter zake. Wilt u een wapen versieren met een Mickey Mouse? U gaat uw gang maar, al zult u vreemde blikken op de familiereünies waarnemen.

Er zijn een heleboel ‘foute’ zegelringen in omloop. Veel ringen dateren van vóór 1935 toen er de ‘verkeerde’ boompjes werden gebruikt. Dat zijn de pijnbomen op hoge stammen. In 1935 werd door de familie afgesproken dat de boompjes geen pijnbomen zijn (mogelijk afgeleid van Bois-sapin) maar buxusboompjes afgeleid van het woord ‘bouis’. De boompjes van ons wapen staan dus ZEER laag op de grond met korte stammetjes. De buxusboompjes zijn piramidevormig. Er zijn ook zeer veel foute afbeeldingen in omloop. Op onze internetsite was tot voor kort ook het verkeerde wapen afgebeeld. Dit verkeerde wapen wordt ook als stadswapen van de plaats Boissevain in de provincie Manitoba (Canada) gevoerd.

 

Fout

Goed

 

Maar een zegelring als erfstuk dat overgaat van generatie op generatie en dat wellicht zo oud is dat het wapen niet correct kan zijn, heeft gezien zijn ouderdom natuurlijk ook zijn charme. Niet aan laten knoeien dus!

Het is oppassen geblazen, zelfs bij het gerenommeerde juweliershuis Backers en Zoon aan het Noordeinde in Den Haag. Nadat de eerste zegelring voor mijn oudste dochter door Backers werd gefabriceerd en perfect uitgevoerd aan de hand van de afbeelding uit “Het Stamboek”, meende ik dat de ring voor mijn tweede dochter nauwelijks aanwijzingen behoefde. ‘Nee hoor, wij hebben de afbeeldingen van de Boissevains prima in ons bestand!’, zei men mij.

Niet dus. Er werd een ring gegraveerd uit een oud archief en dus met de langstammige pijnbomen. Ze hebben een enorm archief, ook van de familie Boissevain, maar helaas ook de verkeerde! Gelukkig geeft de firma Bakkers een prima service en werd er zonder kosten een nieuwe steen gegraveerd. Ga dus nooit af op toezeggingen dat alles in orde komt. Vergewis u ervan dat een en ander klopt.

Hoe zit het nu met een nieuwe ring die we laten maken en wat komt daar op en op welke wijze. Ten eerste laat u niets wijsmaken door juweliers, dat maken wij Boissevains wel uit!

Traditie is dat de rechtstreekse afstammeling (zoon of dochter) de ring van de ouders krijgt in het jaar dat hij/zij 18 wordt. Het 21 e jaar is soms ook gebruikelijk. Er zijn geen strakke regels voor het dragen van een zegelring aan de linker of rechterhand. Links is vaak praktischer als men rechts is etc. De keuze van de ring doet eigenlijk niet ter zake. Groot, klein, de kleur goud en de kleur van de steen. Kortom: keuze genoeg.en smaken verschillen.

Het wapen van de Boissevains is uitvoerig beschreven maar essentieel is het wapen zelf: het helmteken met helm en de dekkleden met wrong. Daaronder staat de spreuk: Ni regret etc.

1. De rechtstreekse mannelijke afstammeling (zoon) krijgt het volledige wapen ingegraveerd, dat wil zeggen het wapen zelf compleet met schild, het helmteken, de dekkleden en wrong. Dus de buxusboompjes in het juist model en het helmteken zijnde een buxusboomje in hetzelfde model. Het is niet gebruikelijk om tevens de spreuk mee te laten graveren. Afgezien van het feit dat dit vaak onleesbaar klein wordt!

2. De rechtstreekse vrouwelijke afstammeling (dochter en nog ongehuwd) krijgt heel wat minder. In een zogeheten ruit (wybertje op z’n punt) wordt het wapen met de drie boompjes afgebeeld. Het ‘kale’ wapen dus, zonder schildje. De ruimte buiten de ruit is vrij. Is er genoeg ruimte (bij een wat grotere steen) dan kan buiten de ruit nog een fraaie versiering worden gegraveerd om het geheel niet zo kaal te laten lijken. Gedacht kan worden aan een takje eiken of een koord met knoopjes en kwastjes etc. Maar de ruit voor de ongetrouwde vrouw ‘kaal’ blijft essentieel. Gaat deze vrouw later trouwen dan blijft zij in principe de ‘ruit’ dragen. Haar eigen aangeboren wapen en dus niet (wat velen denken) opeens na de bruiloft het wapen van haar echtgenoot in een ovaal, al dan niet met een helmteken. Fout dus.

3. De aangetrouwde vrouw kan het wapen van haar man dragen in een apart ontwerp. Gebruikelijk is dat dan het wapen van haar man in het schild naast haar wapen in een ovaal worden gezet (laten we zeggen samen tegen elkaar geleund). Daar boven, dus boven beide wapens komt dan het helmteken, de wrong en de dekkleden zodat beide wapens door de dekkleden worden omarmd.

Jeroen Boissevain (NP p 145)

 

Met dank aan de heren H. Slettenaar (bladredacteur Vereniging van oud-personeel der Koninklijke Java-China-Paketvaart Lijnen N.V. / Royal Interocean Lines en tevens bemanningslid van de ‘Boissevain’ tussen 1954 en 1956) en drs. ing. W.C.M. Smit (directeur Instituut voor Militaire Geschiedenis) c.s.