Jaargang 2005, nummer 15

 

Voorwoord

Een Boissevain Bulletin in een nieuw formaat en een nieuwe vormgeving gleed een jaar geleden in de brievenbus. Even wennen, na dertien afleveringen op kleiner formaat. Hopelijk levert dit bij u geen problemen op in de boekenkast of bij het inbinden! Kijkend naar de ontwikkeling die ons Bulletin heeft doorgemaakt in die periode, zien bestuur en redactie steeds verdergaande verbeteringen in de lay out, de helderheid en het kleurgebruik bij de illustraties en de lettertypen in verband met de leesbaarheid. Ik denk dat we het voorlopig even houden zo. De grootste verandering vond afgelopen jaar echter plaats bij onze website. Hierin zijn veel tijd, energie en kosten gestoken, maar het resultaat is er dan ook naar. Jan Willem: heel veel dank hiervoor. Graag verwijs ik naar het artikel van zijn hand met nadere details over het gebruik van dit prachtige medium.

Ook attendeer ik u op het goede artikel over de journalist Charles Boissevain. Nou zult u misschien zeggen: ‘alweer over hem?’. Ik kan mij die vraag over ons bekendste familielid wel voorstellen en veel oudere lezers zal bepaalde informatie over zijn werkzame en persoonlijke leven in het artikel bekend voorkomen. Het bijzondere aan het stuk is de invalshoek vanuit het huis ‘Drafna’ te Naarden, die iets toevoegt aan onze kennis over zijn privé-leven. Ik dank de redactie van het Naardense tijdschrift ‘De Omroeper’, waarin het stuk begin 2004 verscheen, hartelijk voor de toestemming het over te mogen nemen. Het is een informatief en goed leesbaar artikel, dat een prachtig tijdsbeeld geeft.

Het ligt in de lijn van onze stichting om aandacht te besteden aan het verleden van de Boissevains. Ik dan ook aandacht voor de volgende musea, die interessant zijn voor de bredere context van onze familiegeschiedenis. Vlakbij Montpellier (Zuid-Frankrijk) ligt in de plaats Mialet het ‘Musée du Désert’. Aan de hand van documenten, schilderijen en authentieke voorwerpen herleeft hier het veelbewogen verleden van de Hugenoten, incl. de zogeheten ‘Woestijntijd’. Van andere orde is het onlangs uitgebreide Maritiem Museum Rotterdam. Hier zijn in de tentoonstelling ‘Schatten van Nedlloyd’ meer dan honderd van de mooiste objecten uit de Nedlloyd-collectie te zien. Bijvoorbeeld scheepsmodellen, schilderijen en affiches. Bovendien biedt de tentoonstelling een schat aan informatie over de rederijen en hun schepen. Via de website www.maritiemdigitaal.nl is veel informatie over bijvoorbeeld de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ of over het ms. ‘Boissevain’ te verkrijgen. En met de herdenking van 60 jaar bevrijding in aantocht is het misschien goed om het – een paar jaar geleden heropende - Verzetsmuseum in Amsterdam (vlakbij de ingang van Artis) eens te bezoeken. Aan het einde van de expositie is een prachtig exemplaar van de nationale feestrok te zien. Meer dan terecht wordt binnenkort een straatnaam genoemd naar Mies Boissevain.

Minstens zo belangrijk als het verleden, is het heden van de Boissevains en hun onderlinge contacten. Onlangs kwamen we met ons bestuur weer samen en spraken we een familiereünie af op zaterdag 8 april 2006. Het grote succes van de vorige reünie smaakt bij veel familieleden en verwanten naar meer en wij gaan er het komend jaar mee aan de slag! Mede namens de overige bestuursleden zeg ik u hartelijk dank voor de gegeven donaties en/of reacties per brief, e-mail of via de website. Wij wensen u een voorspoedig 2005 toe.

Charles F.C.G. Boissevain,

voorzitter Boissevain-Stichting

 

Portretten

Carel Faber (NP p 43 en 45) kennen we in onze familie van twee zaken. Allereerst vanwege het feit dat hij – na elkaar - trouwde met twee dochters van Gedeon Jeremie Boissevain (1741 – 1808) en vervolgens doordat hij vaak wordt verward met Charles Faber Boissevain (NP p 102). Wat bij de één de familienaam is, is bij de ander de tweede voornaam. Carel werd in 1767 in Amsterdam geboren en is vennoot in de scheepsrederij Faber en Leefkens. Op 27-jarige leeftijd trouwt hij met Maria Charlotte Boissevain, die echter in 1808 al overleed. Ze was pas 40 jaar. Anderhalf jaar later huwt Carel opnieuw, maar nu met Suzanna, een jongere zuster van zijn overleden echtegnote. Dit tweede huwelijk duurde slechts vier jaar, want Carel overleed in 1813. In deze vier jaar is van beide echtelieden een prachtig portret geschilderd door August Dietzer, een portretschilder die in Amsterdam aan de Singel op nummer 507 woonde ‘naast het Arnhemse Postkantoor’. Van Cathrien Prior – Boissevain, gedurende de afgelopen jaren tot haar overlijden dit jaar op 26 januari een trouwe aanleveraarster van knipseltjes en artikeltjes betreffende onze familie, kreeg ik de foto’s toegestuurd met de mededeling dat ze altijd ‘hun lievelingetjes zijn’ en dat de familieprotretten in het bezit van haar dochter zijn. Het zijn mooie afbeeldingen, waarvan die van Suzanne overigens als losse bijlage in het ‘groene familieboek van 1937’ werd gepubliceerd. Met plezier laten we een bredere kring nu van beide portretten meegenieten!

Charles Boissevain, Twello (NP p 116)

 

Website

Het heeft even geduurd, maar eindelijk is onze nieuwe familiewebsite gereed. De vernieuwde site is te vinden onder het nieuwe adres www.boissevain.org. Via het oude adres www.boissevain.net wordt u automatisch doorgestuurd naar de nieuwe website. De ontwikkeling van de website werd uitbesteed aan een team van ervaren webdesigner en ontwikkelaars. De site is verhuisd naar het hostingbedrijf Lycos. Dit was noodzakelijk omdat onze vorige (gratis) provider niet de voorzieningen kon bieden die wij nodig hadden. De website is aan ons opgeleverd inclusief een content managementsysteem, zodat wij de site snel een eenvoudig kunnen onderhouden.

De grootste wijziging van de website zit in de lay-out en de navigatie. Op de homepagina kunt u kiezen uit de Engelse of Nederlandse taal. Daarna komt u in het hoofdscherm, waarin de laatste toevoegingen van de website zijn vermeld. De zwarte balk aan bovenkant van het scherm vormt het menu, dat is onderverdeeld in onderwerpen: oorsprong, archieven, stamboom, stichting, publicaties en overige. Het menu klapt uit in een lijst menu-items wanneer u met de muis een onderwerp aanwijst. Sommige items hebben nog sub-items. Als u de muis bijvoorbeeld verplaatst naar ‘Inventaris Boissevain Archief’ dan worden de namen getoond van familieleden waarvan de inventaris is op te vragen. U gaat naar een pagina door op het onderwerp, item of sub-item te klikken. Zo kunt u via het menu rechtstreeks naar de gewenste pagina springen. Het menu is ontwikkeld in Java script. Niet alle browsers ondersteunen Java script. Daarom is op de hoofdpagina een link naar een site-map opgenomen. Via deze link komt u op een pagina die de structuur van de website toont. U kunt via deze structuur iedere pagina bereiken. De pagina’s worden dan getoond in een formaat zonder het kader en het menu. Met Microsoft Explorer zult u echter geen problemen ondervinden om het menu te gebruiken.

De inhoud van de site is niet gewijzigd. Vanuit de pagina’s zijn wel links toegevoegd naar ander websites. Het Amsterdams Gemeentearchief heeft onze inventaris op zijn website gepubliceerd. Op de pagina Archieven van de familie Boissevain kunt u deze publicatie van de inventaris oproepen. Vanuit de bulletins zijn links opgenomen naar foto’s van bijvoorbeeld verzetstrijders, foto’s van grafstenen en schilderijen.

Het belangrijkste doel van de website is het bevorderen van de communicatie tussen familieleden en verwanten over de gehele wereld. In dit verband is een aantal opties toegevoegd onder ‘overige’. Het forum biedt familieleden en verwanten de mogelijkheid hun mening te geven en te discussiëren over de volgende onderwerpen:

Boissevain verhalen: wilt u verhalen over de Boissevain familie delen met anderen? Familieleden: bent u op zoek naar een Boissevain familielid? Boissevain archieven: bent u op zoek naar afbeeldingen of documenten over de Boissevainfamilie? Familie reünie: de volgende familiereünie: waar, wanneer en hoe?

Als u een bijdrage wilt leveren aan het forum moet u zich eerst aanmelden. U ontvangt vervolgens een gebruikersnaam en paswoord per E-mail. Uitleg over het gebruik van het forum vindt u onder ‘nieuws’.

Door het formulier onder contact in te vullen kunt u:

  • Artikelen voor het Boissevain Bulletin of de website op te sturen
  • Correcties of toevoegingen van de stamboom door te geven (geboorten, huwelijken of overlijdensberichten – deze worden gepubliceerd onder aanvullingen Patriciaat)
  • Website links door te geven over de Boissevain familie
  • Familienieuws te melden (al dan niet te publiceren in de nieuwsbrief van de website)
  • Vragen te stellen
  • Reacties en commentaar te geven op de nieuwe website

Onder nieuws staan mededelingen van het bestuur van de Boissevain Stichting of informatie over het gebruik van de website. In de nieuwsbrief staan actuele ontwikkelingen die onze familie aangegaan. U levert zelf daarvoor de informatie of artikelen voor aan. Uiteraard kunt u ook gebruik maken van het gastenboek om mededelingen te doen of een reactie te geven op de website of de artikelen op de website. Vragen, suggesties, bijdragen zijn altijd welkom. U kunt deze sturen door het invullen van het formulier onder contact.

Jan Willem Boissevain, Wassenaar (NP p 142)

 

Hugenoten en hun Waalse kerk

Eind 17 e begin 18 e eeuw werden de Nederlanden verrijkt met een grote stroom vluchtelingen uit Frankrijk, de zogeheten Hugenoten. Velen vestigden zich hier blijvend, waaronder ook de Boissevains. Van een genealogische website plukte de redactie van het Boissevain Bulletin de navolgende achtergrondinformatie.

In de 16 e eeuw ontstond in navolging van Calvijn in Frankrijk een gereformeerd protestantse stroming. De aanhangers van deze kerkelijke leer kregen de naam Hugenoten. Het is niet bekend waar deze benaming in oorsprong vandaan kwam. Het vermoeden bestaat dat deze benaming een verbastering is van Eidgenossen (eiguenots op zijn Frans). Alhoewel aan het ontstaan puur theologische ideeën ten grondslag lagen,ontwikkelde zich rond 1560 onder de Hugenoten ook een politieke stroming. Onder hen bevonden zich lieden uit alle lagen van de bevolking, zelfs onder de adel. In de nacht van 23 op 24 augustus 1572 vond te Parijs de zo genoemde Bartholomeusnacht of Parijse bloedsbruiloft plaats. Met instemming van de koningin-moeder Catharina de Medicis werd door de katholieke partij een bloedbad onder de Hugenoten aangericht. Die waren op dat moment in Parijs om daar de bruiloft te vieren van een van hun leiders, Hendrik van Navarra (de latere koning Hendrik IV), die met Magaretha (de zuster van koning Hendrik II) in het huwelijk trad.

Op 13 april 1598 vaardigde deze Hendrik IV, inmiddels koning en katholiek geworden, het Edict van Nantes uit. Dit Edict beloofde de Hugenoten godsdienstvrijheid en gaf hen een aantal steden, waaraan bepaalde rechten waren gekoppeld. De Hugenoten konden zich toen in vrijheid ontwikkelen. Het werd hen toegestaan kerken te bouwen. Deze mochten alleen niet de naam van kerk voeren en werden daarom ook wel ‘temples’ genoemd. Voorts werd het hen toegestaan functies te bekleden in het bestuursapparaat en in het leger. Bovenal verkregen zij toestemming legers uit te rusten en garnizoenen te houden.
Gaandeweg deze periode van vrijheid groeide de aanhangers van deze leer tot ongeveer 10 procent van de totale bevolking. Mede omdat het onderwijs onder deze bevolkingsgroep hun bijzondere belangstelling had, kwamen er uit hun midden veel vooraanstaanden en geleerden voort. Hun vrijheid was echter van korte duur. Al twintig jaar later, met de komst van Lodewijk XIII en Richelieu, begon de beteugeling van deze pas verworven vrijheid.
Richelieu maakte een einde aan de politieke machtspositie van de Hugenoten. In 1628 gelukte het hem de laatste van hun ‘pandsteden’ (La Rochelle) te ontnemen. Dit Hugenotenbolwerk viel na een langdurig beleg waarbij veel slachtoffers vielen. De veldslagen die erop volgden, werden vernietigend gewonnen door de koninklijke troepen, waarmee er een einde kwam aan de politieke en militaire macht van de Hugenoten.

Er volgde een periode van betrekkelijke rust tot de katholieke koning Lodewijk XIV, na de dood van Mazarin in 1661, persoonlijk de regering in handen nam. Een politiek van harde maatregelen tegen de Hugenoten volgde. Deze kleinzoon van Hendrik IV werd ook wel ‘De Zonnekoning’ genoemd. Aanvankelijk was Lodewijk niet echt religieus geïnteresseerd. Toen hij in 1661 de macht in handen kreeg, wilde hij echter geschiedenis maken als de vorst die van Frankrijk weer een katholiek land maakte. Stukje bij beetje werden er maatregelen uitgevaardigd die het Edict van Nantes steeds verder aantastten. Uiteindelijk werd op 18 oktober 1685 het Edict van Nantes herroepen.

Dit had als gevolg dat de positie van de Hugenoten onmogelijk werd en hun kerken vernietigd. Zij die openbare functies bekleedden werden uit hun ambt gezet, ambachtslieden werden uit de gilden verstoten, protestantse scholen werden aan katholieken overgedragen of opgeheven. Er werden met terugwerkende kracht zware belastingen opgelegd die men kon voorkomen door het gereformeerde geloof schriftelijk af te zweren en terug te keren tot de katholieke kerk.

Velen kozen eieren voor hun geld maar degenen die zich niet lieten ‘bekeren’, kregen verdergaande terreur te verduren. Ter overtuiging werden cavaleristen en soldaten over het land uitgezonden voor de zogenaamde ‘missie met de laars’ (mission bottée). Bij halsstarrige Hugenoten werden op koninklijk gezag dragonders ingekwartierd, zogenaamd ter bescherming tegen katholieke geweldplegers. Voor niets ging echter de zon op. Degenen die deze ‘bescherming’ genoten, dienden de ingekwartierde soldaten in hun levensonderhoud te voorzien en bovendien een dagvergoeding te verstrekken. Naarmate er meer kapitaal of goederen aanwezig waren, werden er meer soldaten ingekwartierd zodat in korte tijd het vermogen van het slachtoffer als sneeuw voor de zon verdwenen was. Kon iemand zijn verplichtingen uiteindelijk niet meer nakomen dan werd de vordering voldaan door het huisraad van de gastheer te verkopen.

Zij die niet tot het katholieke geloof terugkeerden waren zo uiteindelijk gedwongen huis en haard te verlaten en naar het buitenland uit te wijken. Deze uittocht had al ongeveer 20 jaar voor de herroeping van het Edict van Nantes een aanvang genomen. Vooral landen als Zwitserland, Engeland, Nederland, Duitsland (Brandenburg) en Kaap de Goede Hoop (Zuid-Afrika) werden hun bestemming. In die landen hebben zij, mede door hun doorgaans hoge scholing en ontwikkeling, een bijdrage in cultureel en economisch opzicht geleverd. Rond 1550 waren er in de Zuidelijke Nederlanden Waalse kerkelijke gemeenten ontstaan, die rond 1560 ook in synode bijeen kwamen. Zij verenigden zich in 1571 aanvankelijk met de Nederduitse gemeenten. In 1577 kwamen zij echter, nadat zij zich afzonderlijk hadden georganiseerd, in Dordrecht in synode bijeen.

Vooral na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 ontwikkelden de Waalse (Franstalige) gemeenten zich sterk door de toestroom van gevluchte Hugenoten of refugiés, zoals ze ook wel genoemd werden. Hierdoor zijn voor genealogisch onderzoek de archieven van de Waalse kerkelijke gemeenten van groot belang. In Leiden is de Bibliothèque Wallonne (de bibliotheek van de Waalse gemeenten) ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek, die is gevestigd aan de Witte Singel 27 (Postbus 9501, 2300 RA Leiden, telefoon: 071-52 72 800). Aangeraden wordt voor uw bezoek contact op te nemen. Behalve uit de Waalse archieven bestaat de collectie uit een uitgebreide verzameling boeken en documenten over het Franstalige protestantisme en het ‘Fichier du Refuge’. Om praktische redenen is het ‘fichier’ slechts te raadplegen in het Central Bureau voor Genealogie, Prins Willem-Alexanderhof 22, 2595 BE ‘s-Gravenhage (Postbus 11755, 2502 AT ’s-Gravenhage, telefoon: 070-31 50 500).

 

Hugenotenmonument in Zuid-Afrika

Begin dit jaar maakte ik samen met mijn vrouw een rondreis door Zuid Afrika, waar wij bijzonder genoten van de gevarieerdheid van sfeer en cultuur. Na een nacht te hebben doorgebracht in Hermanus aan de kust (Indische Oceaan) vertrokken wij naar Frenchhoek waar een bezoek aan het Hugenotenmonument op het programma stond. Hier is ook het begin van de wijnroute, die mijn bijzondere belangstelling heeft vanwege de vele mogelijkheden om alcoholische versnaperingen te savoueren en om in Nederland minder bekende wijnen te ontdekken.

Het herdenkingsmonument werd op 7 april 1948 onthuld. Dat is exact 350 jaar na de herroeping van het Edict van Nantes. Het monument heeft verbazingwekkende afmetingen. Er zijn wel meer kleine monumenten van de Hugenoten in verschillende delen van Zuid-Afrika, maar dit monument is zeer groots opgezet. Frenchhoek heeft - zoals de naam suggereert - een Frans karakter. Duidelijk is deze invloed te zien in de architectuur, die afwijkt van de Nederlandse en Engelse. Straatnamen hebben vaak een Franse naam.

Het monument is door zijn eenvoud en rustgevend karakter een opmerkelijk verschijnsel. Frenchhoek ligt in een dal met bergen erom heen, wat een zekere beslotenheid geeft. Op een groot grasveld omringd door rozen ligt het monument aan de rand van een waterpartij. De drie sierlijke bogen symboliseren de Drie-eenheid. Op deze bogen is op een lange ‘spies’ een vergulde stralende zon met kruis bevestigd en dit geheel wordt in het water weerspiegeld. Verder staat het monument met beelden en voorstellingen bol van de symboliek en grote panelen geven daar uitleg over.

Naast het monument is ook een klein museum gevestigd met veel antieke voorwerpen uit de pionierstijd en het geeft een aardig beeld van de harde leefomstandigheden van de mensen, die vanaf 1685 Frankrijk ontvluchtten. Godvrezende en harde werkers, die met volharding en eerlijkheid hun meegenomen wijnstokken (tienduizenden!) plantten in de vruchtbare aarde in een gunstig klimaat. De Franse immigranten hebben een zeer belangrijke stempel gedrukt op de samenleving van de Zuid-Afrikaners, zeker in economische zin. Tegenwoordig is wijn een belangrijk exportartikel van Zuid-Afrika, een bedrijfstak die in grote mate te danken is geweest aan de inzet van de Hugenoten.

Jeroen Boissevain, Soest (NP p 145)

 

ALFRED VAN HALL SCHREEF (DERDE) BOEK

Abel, een Groninger boerenzoon, komt bij toeval in een klooster in Brabant. Zowel privé als in zijn werk als lid van de Tweede kamer is hij vastgelopen. Op verzoek van de abt van het klooster beschrijft hij de ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven, die bepalend zijn geweest voor de man die hij is geworden. Vanwaar komt zijn noodsituatie? Abel blikt terug op zijn ouderlijk huis, waarin de Duitse bezetter langdurig zijn sporen naliet. Tot zijn schrik is de anonimiteit van zijn zaaddonorschap doorbroken. Zijn politieke idealen worden vermorzeld tijdens straatgevechten aan het Binnenhof. Zijn huwelijk staat onder druk. In het klooster komt Abels geloofscrisis scherp in beeld. Net als Job worstelt Abel met de Eeuwige. Hij zoekt rusteloos naar antwoorden. Als hij Brabant verlaat, is hij hersteld en vol goede moed. Tijdens een zeiltocht openbaart zich huidkanker. Hij verzamelt moed om de strijd te winnen. Het ontroerende en meeslepende verhaal over Abel, die wegtrok uit zijn dorp in Groningen, boeit van het begin tot het einde. Het verhaal is uit het leven gegrepen en berust gedeeltelijk op eigen ervaringen van de auteur, die een kleinzoon is van Jan van Hall en Hester Boissevain (NP p 68)

Titel: Verloren man. Uitgever: Servo, Assen. ISBN: 9057868520. Prijs: € 14,-.

 

Grootmeester Nederlandse journalistiek op ‘Drafna’

Aan de Meentweg in Naarden stond tot in de Tweede Wereldoorlog een groot Zwitsers huis met de Noorse naam Drafna. Aanvankelijk diende het uit 1860 daterende huis als zomerverblijf annex buitenplaats voor een van Nederlands grote industriëlen. Later werd het huis permanent door particulieren bewoond. Het eindigde zijn geschiedenis in 1941 als bouwvallig schoolgebouw van een destijds gerenommeerd Theosofisch Lyceum. In de oorlogsjaren liet een schoensmeerfabrikant het houten gebouw slopen en op de plek een stenen villa onder dezelfde naam bouwen. Dat huis behoort sinds 1948 toe aan eigenaren van een van Nederlands bekende kledingconcerns.

In dit artikel gaan we het hebben over de journalist Charles Boissevain (1842-1927), ook een bewoner van Drafna. Vijf jaar geleden noemde de auteur en columnist H.J.A. Hofland deze man ‘de journalist van de eeuw’, maar voegde daar aan toe dat journalisten niet ‘voor de eeuw’ maar ‘voor vanavond’ schrijven. De volgende dag al worden er namelijk visgraten in hun werk verpakt.

Boissevain bewoonde het voormalige Drafna ruim dertig jaar, vanaf 1896 tot aan zijn overlijden. In 1911 stichtte zijn oudste zoon, jonge Charles, het eveneens aan de Meentweg gelegen landhuis Bergerac. Nog iets verderop bevindt zich het landgoed De Duinen met het in 1912 gebouwde huis met dezelfde naam, waar Boissevains oudste dochter Mary, toen gehuwd met de bankier Cornelis van Eeghen, woonde. In dezelfde tijd werd tegenover Drafna het huis Heerlijkheid gesticht door het echtpaar Den Tex-Boissevain, een neef en nicht van Charles. Boissevains dus te over aan Naardens schoonste weggetje, dat in die tijd nog de Oude Valkeveenscheweg werd genoemd. Wie deze toonaangevende mensen met Franse geslachtsnaam waren, is terug te vinden in het Gemeentearchief van Amsterdam. Daar kan men onder toegangsnummer 394 het omvangrijke Boissevainarchief raadplegen. Het onderstaande verhaal is er grotendeels aan ontleend.

Eigenlijk was de naam Bouyssavy. Althans zo noemde een verre voorvader Lucas zich, die in de 17de eeuw ten oosten van Bergerac in de Dordogne wijnboer was. Deze Lucas, een moedig en godvruchtig man, moest wegens geloofsvervolgingen uitwijken naar Bordeaux. Daar verschool hij zich aan boord van een schip met vaten wijn, tenminste zo wil het verhaal, en belandde omstreeks 1691 in Amsterdam. De Nederlandse Boissevains stammen dus uit een geslacht van réfugiés of Hugenoten. ‘Opgejaagd als een hert’, schreef Charles over zijn voorvader Lucas, die in Amsterdam in zijn onderhoud kon voorzien door het geven van les in de Franse taal en het maken van tekeningen. Hij stierf reeds op 44-jarige leeftijd. Zijn reislustige zoon Jérémie (1702-1762), wiens zwerftochten hem tot in Perzië voerden, werd naderhand ‘vader’ van het Walenweeshuis. En een andere zoon, Gideon Jérémie (1741-1802), was het, die geluk had in de handel en zich daardoor een maatschappelijke positie wist te verwerven die het geslacht vanouds in Frankrijk ook al bezat. Daniël (1772-1834), de grootvader van de Charles van dit verhaal, was de derde van de elf kinderen van genoemde Gideon Jérémie. Hij noemde zich inmiddels Boissevain en ging eveneens in de handel. Zo ook diens zoon, de vader van onze Charles.

Voor zijn vader, ook een Gideon Jérémie (1796-1875), koesterde Charles een grote bewondering. Hij was reder van beroep en woonde op de Herengracht. De scheepvaart nam als vanzelf een centrale plaats in binnen het gezin Boissevain.

‘Hoe herinner ik mij uit mijn jeugd’, schreef Charles eens, ‘de machtige betekenis van de wind voor het zeevarend Holland! ’s Ochtends was de eerste taak van mijn vader om in de tuinkamer uit het venster te gaan kijken naar het haantje van den Westertoren om te zien hoe de wind was. Want de ‘Nederland & Oranje’, de ‘Bestevaer’ en de ‘A. Falck’ lagen al een paar weken te Nieuwediep (Den Helder, red.), wachtende op de gunstige oostenwind en ziet de wind bleef altijd maar uit het westen waaien, tot groot verdriet van reeder en gezagvoerder. Welk een aardig slag mensen waren die scheepsgezagvoerders van een vijftig jaar geleden! Die op mijn vaders schepen, kwamen meest uit Katwijk, uit deftige gezinnen, wier hoofden van vader tot zoon kapiteins waren van Amsterdamsche Koopvaardijschepen. Nog zie ik hen voor mij, de Duyvenbodes en de Van der Plassen, breede krachtige mannen, trouwhartig, onkreukbaar eerlijk, gelijk mijn vader steeds getuigde. Ze brachten de poëzie van de zee steeds onze huiskamer binnen als ze kwamen koffiedrinken na behouden terugkomst. Dan brachten ze geschenken mee, waarvan ik er een tot nu bewaard heb, een Indische prauw met zeilen en roeiers geheel van kruidnagelen gemaakt. Potten gember, kanaries van de Canarische eilanden, snuisterijen uit Java, den geur der morgenlanden brachten ze het huis op de Heerengracht binnen. Geen wonder, dat ik de zee liefheb!’

Charles moeder was Maria van Heukelom (1801-1866), de dochter van een groot bankier. Bij haar huwelijk, in juni 1830, kreeg ze van haar vader al voor 40.000 gulden aan Nederlandse effecten mee, waaruit valt op te maken dat het in dit gezin aan niets ontbrak. Via de Van Heukeloms kende de familie de heer Van Rossum op Zandbergen te Naarden en het is dan ook aardig om uit Gideon Jérémies dagboeknotities van zaterdag 14 september 1839 het volgende te citeren:

‘Ten 8 Uren met Papa van Heukelom, & Jan & Margo (ook Van Heukeloms, red.) met het wagentje & de Tilbury naar Zandbergen boven Naarden bij den Heer I.P. van Rossum, de plaats en de Zanderij bewandeld, en Kweek van jonge boomen bezigtigd. Collation in de open lucht genuttigd. Met het Rijtuig van den Heer van Rossum naar het zomerhuis van den heer Huidecoper (het paviljoen), ’t welk f 75/m gekost heeft. Schoon gezigt van het Balcon af, men ziet Amsterdam, Hoorn, Harderwijk, Amersfoort en Utrecht. Ten 1/4 voor 8 Uur weder in de stad gekomen en toen gegeten, het weder was schoon.’

Bewondering voor Charles’ vader was er in 1832, toen hij tijdens de beruchte cholera-epidemie Amsterdam verkoos boven een veiliger verblijf op het platteland. Vrijwel iedereen met geld en vrienden elders zocht een onbesmet onderkomen op de zandgronden. De rijke reder Boissevain daarentegen zocht de zieken op! Aan de Prinsengracht regelde hij een leegstaand huis en vestigde er een hoofdkwartier om van daaruit de epidemie te bestrijden. Hij wierf personeel voor het vervoer en de verpleging van zieken en begaf zichzelf onder de cholerapatiënten. Een moedige vader dus, die door de goede God, zoals hijzelf zei, gespaard bleef. Hij kreeg er een medaille van de stad Amsterdam voor. Dat stukje eremetaal was in de familie meer waard dan menig ridderorde.

Ook voor zijn moeder had Charles een grenzeloze waardering. Zij sprak haar talen en was zeer belezen. Goethes citaat dat de jeugd vatbaar was voor het hoogste geluk, stond bij haar hoog in het vaandel. Charles’ jeugd speelde zich deels af op het buiten ‘Duinvliet’ tussen Overveen en Aerdenhout, waar het gezin halverwege de negentiende eeuw, naar eigen zeggen, de heerlijkste zomers doorbracht. Op gevorderde leeftijd verheerlijkt de avontuurlijk van aard zijnde Charles de roeitochten daar, de ritten te paard en het lezen van ‘Ivanhoe, The Heir of Redclyffe’ onder een hoge eik. ‘Een toververhaal uit het land der idealen’ noemde hij het boek. In die tijd logeerde hij eens bij zijn grootvader Van Heukelom op Leeuwenhooft in de Haarlemmer Hout. Op een zondag in mei reed hij met hem in een brik naar Heemstede. Daar in de kerk zag hij op de kansel Nicolaas Beets. Hij raakte onder de indruk van hoe treffend mooi en toch eenvoudig deze een preek voorlas. Ook in het ouderlijk huis ontmoette Charles dikwijls hoogstaande mannen op het gebied van de kunst en de letteren. Na zijn schooljaren voelde hij zich tot de letterkunde aangetrokken en zijn aangeboren opmerkingsgave leidde vervolgens als vanzelf tot de journalistiek.

Al in 1865, Boissevain was toen 23 jaar, schreef hij onder de schuilnaam ‘Fantasio’ in het toonaangevende Algemeen Handelsblad zijn eerste artikelen. Het waren de zogenoemde ‘Iersche Brieven’, die niet alleen door hun inhoud, maar ook door de vorm waarin zij gegoten waren zeer de aandacht trokken. Zijn jeugdige, frisse beschouwingen vormden al snel verkwikkende oases in de toen gortdroge en dorre inhoud van de dagbladen. Het is daarom niet vreemd dat hij kort daarna in de redactie van het blad werd opgenomen. Charles werd buitenlands correspondent en op een van zijn reizen ontmoette hij de Ierse Emily MacDonnell, die later zijn vrouw zou worden. ‘Een Schotse van naam en afkomst’, zei de schrijver Potgieter, die bevriend was met Boissevain, toen hij Emily aan zijn confrère Busken Huet voorstelde. In 1885 werd Charles Boissevain hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad en twee jaar later begon hij met zijn eigen rubriek ‘Van Dag tot Dag’. Hij introduceerde hiermee het hoofdredactionele commentaar in de Nederlandse journalistiek. In zijn circa 4300 ‘columns’, die tot de populairste lectuur van zijn tijd behoren, heeft hij zijn eigen zeer persoonlijke gaven geheel kunnen ontplooien. Er zijn niet veel onderwerpen te bedenken waarover hij niet geschreven heeft. Bekend werden zijn polemieken met de gereformeerde politicus Abraham Kuyper en zijn steun voor de Zuid-Afrikaanse Boeren in hun opstand tegen de Engelsen.

‘Ons Amsterdam’ (1996 afl. 10) beschreef Charles Boissevain onder meer als volgt: ‘Charles was op en top een liberaal. Het vrije ondernemerschap ging bij hem boven alles, maar de ‘Oranjefurie’ tegen de socialisten in 1887 keurde hij scherp af. De veroordeling en de verbanning van de joodse officier Alfred Dreyfus in Frankrijk in 1894 vond hij een schande en in 1898 interviewde hij als eerste Nederlander Emile Zola, romancier en Dreyfus’ welsprekende verdediger. Daarentegen veroordeelde hij het opkomend socialisme.’

Tot ergernis van de linkse journalist Henri Wiessing, van 1907 tot 1915 hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, die Charles kenschetste als ‘de zelfvoldane opperliberaal van die dagen’ die ‘op basis van een wel zorgvuldig maar tweederangs schrijftalent en een inhalige geest zonder schroom zichzelf en zijn hele familie naar de voorgrond drong’.

Aanvankelijk woonde Charles Boissevain met vrouw, elf kinderen en met het Engelse kindermeisje Polly Barker op de Herengracht nr 332. Zijn vermaarde broer Jan, oprichter van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, woonde een paar huizen verder. Op 54-jarige leeftijd kocht Boissevain Drafna en werd Naarden het domicilie van de toen al ‘Paus van de vaderlandse journalistiek’ genoemde bekende Nederlander. Die typering vond hij overigens niet prettig. Rond de eeuwwisseling zagen de Naarders hem elke morgen in een wagentje met een wit hitje ervoor gespannen naar het station rijden. Later legde hij de afstand veelal per driewieler af.

Alhoewel hij eens op Drafna in een toneelspel de draak stak met de Gooise boeren die zijn naam niet goed konden uitspreken, koesterde hij sinds zijn verhuizing naar Naarden een bijzondere liefde voor het Gooi. De natuur was hem alles. Hij kon zeer geestdriftig schrijven over bomen en bloemen, over de Hollandse duinen en de zee, het strand, over een sneeuwstorm en over een nachtelijke wandeling over de Gooise heide, waarbij hij overweldigd werd door het licht van de maan en de pracht van de sterrenhemel.

‘Waarom Maart’, zo schreef hij, ‘de lentemaand wordt genoemd, besef ik eerst goed sinds ik hier buiten woon in het Gooi. Want zij heet lentemaand, omdat onze dichterlijke taal niet in de steden is geboren, maar in de eerste plaats doordrongen is van het gevoelen, denken en verbeelden van hen die het land bewonen en den grond ontginnen en voor wie Maart zaaimaand is.’

En in de zomer van 1906 schreef hij: ‘Gisteravond zongen bij mij op Drafna voor het eerst van dit jaar een paar nachtegalen in de eschdoornlaan, in de luwte van het dennenbosch’.

Het leven op Drafna met kinderen en kleinkinderen temidden van de fraaie natuur werd op latere leeftijd het belangrijkste in het leven van Charles Boissevain. Veel brieven, toneelstukjes, menu’s en foto’s getuigen van de goede en vaak feestelijke sfeer die er op Drafna heerste. Daar ook schreef Charles zijn ‘Zonnige uren’, opstellen die hij maakte als ‘de zon in zijn inktkoker scheen’ en hij zich verheugde over de momenten van lieflijke en schone dingen die mensen kunnen opbeuren en hoop geven. Het boek werd opgedragen aan zijn kleinkinderen, die, zei Charles ‘ons dwingen jong en vrolijk te blijven; kinderhandjes strijken de rimpels glad van het fronsend voorhoofd.’ Charles was een groot kindervriend. Hij geloofde heilig in de kracht die er schuilt in het grote, nauwverbonden gezin, in huiselijk geluk.

In 1912, bezocht de journalist Jan Feith hem op Drafna voor een interview.

‘Het was de dag van zijn 70ste verjaardag’, schreef Jan Feith, ‘28 oktober 1912, in den vollen herfst, een van najaarspracht jubelende kleurdag in Holland, mooi-Gooi op zijn heerlijkst. Daar woonde hij buiten Naarden, naar den kant der vlakke Zuiderzee, aan den ruigen Gooikant, in zijn idyllisch houten buitenhuis, de groote tuin als park, heuvelachtig en bosrijk. Aan de bocht van de Huizerweg, de kortgesnoeide haag langs, de glooiing van een op Ierland geïnspireerde lawn, daartusschen de breede oprij-weg, leidend naar het in chalet-stijl gebouwde woonhuis. Terzijde lag rimpelloos de lage vijver, nu vol bladval; het dennenbosch daarneven; een rustiek bruggetje over een ravelijntje. En achter het half Zwitsersch half Noorsche huis, tusschen de verspreid staande boomen, de wijde doorkijk over de lage, naar het noorden gespreide weiden, aan den einder afgesloten door den roest-bruinen wand van Valkenveensche bosschen. En daar weer achter de Zee, - “zeewind, gezuiverd door dennengeur!” zoals Charles Boissevain zijn eigen retraite eens aanduidde.’

Charles Boissevain is tot 1908 hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad gebleven. In dat jaar nam, tot grote schrik van de redactie, zijn zoon Alfred Gideon (1870-1922) het roer van hem over. Naast zijn journalistieke oeuvre schreef Charles enkele boeken, waaronder het in 1906 op Drafna gemaakte ‘Onze Voortrekkers’. Dat bij het Algemeen Handelsblad gedrukte bijna 500 pagina’s tellende werk vertelt over de geschiedenis van enkele van Charles voorouders en eindigt met persoonlijke herinneringen van hemzelf. Het boek werd niet in handel gebracht maar was uitsluitend bestemd voor familieleden en vrienden. In die kringen werd hij op handen gedragen.

Drafna werd familiehuis bij uitstek, waar kinderen en kleinkinderen dolgraag kwamen, waar grootvader Charles volop genoot van hun aanwezigheid en met overgave het ‘Hop Marjannetje’ en ‘Schuitje varen, theetje drinken’ met de kleintjes kon meezingen.

Charles is tot zijn overlijden in mei 1927 op Drafna blijven wonen. Zijn laatste jaren waren niet gemakkelijk. Een half jaar voor zijn dood bezocht een redacteur van het Algemeen Handelsblad hem nog een keertje in de grote kamer van Drafna, die uitzicht bood op de vijver. De bijna 85-jarige Charles werd toen de kamer binnengeleid ondersteund door een verpleegster. Van het licht, dat zo dikwijls door zijn inktkoker had geschenen, zag hij vrijwel niets meer. Voor wie wist hoe lezen, waarnemen en schrijven zijn grote vreugde waren, was het een droevig gezicht. Maar zijn geest was nog helder en zijn belangstelling voor het Algemeen Handelsblad was gebleven.

‘Zacht is het leven van Charles Boissevain uitgeblust. Als een zon, die langzaam onderging in de gouden schoonheid van het Gooi’, schreef men na zijn overlijden op 5 mei.

Toen Charles Boissevain eens aan het graf stond van een van zijn zusters, die ook in mei de eeuwige rust was ingegaan, zei hij:

‘Er is geen betere maand om van het leven te scheiden, dan de Meimaand, als alles herleeft, als alles hernieuwd wordt en weder opbloeit tot het dragen van nieuwe vruchten. Dat symbool van eeuwige herleving begroeten we, als wij onze dierbaren ons zien voorgaan.’

Charles Boissevain werd op een dinsdagmiddag om twaalf uur op de begraafplaats bij Jan Tabak ter aarde besteld. Op het ogenblik dat de droeve stoet, waarin velen uit zijn grote gezin en het voltallige dienstpersoneel meegingen, Drafna verliet, op dat ogenblik werd van een venster een gordijn langzaam weggeschoven en zag men de vrouw, die bijna zestig jaar licht en vreugde had verspreid in het leven van Charles Boissevain. Ze was alleen in huis achtergebleven en oogde diepbewogen het stoffelijk omhulsel van haar man na.

Op het kerkhof, zo lezen we in de kranten van toen, waar een grote menigte, waaronder journalisten, de Naardense burgemeester Van Wettum, de Erfgooiersvoorzitter Emil Luden en vele andere bekenden uit het Gooi waren samengekomen om de bekende en beminde grijsaard de laatste eer te bewijzen, werd de baar gedragen door zoons, schoonzoons en de oudste kleinzoons. Rondom het graf en tegen de groene hagen waren kransen van rozen, seringen, aronskelken en rododendrons gevlijd. Aan de binnenkant was het graf gestoffeerd met sparrengroen, witte violieren en seringen. Een van Boissevains kleinzoons refereerde aan al het goede en schone wat grootvader hun had ingeprent en waar zij heel hun leven voordeel mee zouden kunnen doen. Charles jr. herinnerde aan de innige verhouding die bestond tussen de vader en al zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. En toen de Naardense torenklok haar brede uitvaartgalmen wijd over heide en veld beierde, zongen allen als afscheidslied zijn lievelingshymne uit het liedboek der Engelse Kerk:

Sun of my soul, Thou saviour dear

It is not night, if Thou be near.

Henk Schaftenaar, Naarden

De heer H. Schaftenaar is redacteur van ‘De Omroeper’, het geschiedkundige tijdschrift voor de plaats Naarden. Bovenstaand artikel is van zijn hand en geplaatst in jaargang 17, nr. 3.

 

Boissevain bracht Soest in de nieuwe tijd

 

 

Het geslacht Boissevain behoort tot de markantste families van Soest. In de 17 e eeuw vluchtten zij als hugenoten naar Holland. Later betrokken zij het majestueuze Prins Hendriksoord. Een baanbrekende Boissevain was Adolphe Henri, die Soest eind 19 e eeuw liet kennismaken met de nieuwe tijd.

Het statige herstellingsoord Prins Hendriksoord Prins Hendrikoord aan de Soestdijkerweg (het verlengde van de Biltseweg) tussen Soest en De Bilt kent een rijke geschiedenis. Het herenhuis, dat momenteel te koop staat, werd in 1872 door Prins Willem Frederik Hendrik tegenover Ewijckshoeve gebouwd als rentmeesterhuis.

Een markante bewoner was bankier Athanase Adolphe Henri Boissevain (1843-1921) die met zijn grote voorliefde voor techniek één van de eerste interlokale verbindingen liet aanleggen en honderd jaar geleden met luxe automobielen door Soest reed. De familie Boissevain is afkomstig uit Frankrijk, omgeving Bergerac. Na de opheffing van het Edict van Nantes in 1685 vluchtte de protestantse Lucas Boissevain (± 1660-1705) uit zijn geboorteland en vestigde zich omstreeks 1691 in Amsterdam. Vele hugenoten lieten have en goed achter om te ontkomen aan de godsdienstvervolgingen. De vluchtelingen ontvingen in Nederland bijstand en sympathie van hun eigen geloofsgenoten. De Boissevains, die totaal berooid een nieuw bestaan moesten opbouwen, slaagden daar wonderwel in. Nazaten van Lucas Boissevain verspreidden zich over de hele wereld: een relatief groot aantal van hen is werkzaam geweest in het bank- en effectenbedrijf. In Soest woont de nazaat Jeroen Boissevain (1949) die de zevende afstammeling in lijn is van Lucas. Hij redde enige familiestukken bij een zolderopruiming, waaronder contracten en correspondentie tussen Athanase Adolphe Henri Boissevain en de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij. Adolphe Boissevain was één van die succesvolle zakenmensen. Hij richtte een firma op die zich vooral bezig hield met de introductie van Amerikaanse effecten op de Amsterdamse beurs en de effectenhandel tussen Amsterdam, New York en Londen. Zijn maatschappelijke succes stelde hem in staat in 1880 Prins Hendriksoord te huren om het drie jaar later te kunnen kopen. Boissevain kocht het buiten, dat na het overlijden van Prins Hendrik in 1879 in handen was gekomen van de Baarsche Bouwterreinen Maatschappij voor 20.000 gulden. In 1890 kreeg hij van de gemeente Zeist vergunning voor het gebruik van een stoomketel ten behoeve van een “kleederbleekerij”. Adolphe liet een ijshuis bouwen en later breeidde hij de technische voorzieningen uit met een generatorgebouw voor de opwekking van elektriciteit, centrale verwarming en een watertoren. Toen in 1881 in Amsterdam het eerste lokale telefoonnet in gebruik werd genomen met 49 aansluitingen, zag Boissevain al spoedig mogelijkheden van een eigen telefoonverbinding tussen Prins Hendriksoord en de Amsterdamse effectenbeurs. In 1886 kreeg de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (NBTM) van de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid toestemming om de buitennet aansluiting tot stand te brengen. In het contract staat dat “de geleiding slechts uitsluitend tot eigen gebruik mag gebezigd worden”. Adolphe moest voor de telefoonverbinding 700 gulden per jaar betalen. Er werd een tracé vastgesteld, waarbij om de zestig meter een telefoonpaal werd geplaatst.

Werktekening

Vanaf Prins Hedriksoord ging de telefoonverbinding over het landgoed van Bosch van Drakestein, die voor zijn medewerking 100 gulden per jaar kreeg, via Hilversum, Laren, over de heide, door de vesting Naarden en dan via Diemen naar Amsterdam. Twintig jaar na het eerste contact kwam er een einde aan de unieke particuliere telefoonaansluiting. Adolphe Boissevain raakte in 1918 zijn exclusieve recht op een telefoonverbinding kwijt. Hij moest meegaan met de regels die golden voor de vele duizenden die in die jaren ook een aansluiting hadden. Veel is bewaard gebleven uit de geschiedenis van de familie Boissevain. Diverse Boissevains hebben geschreven over hun levensloop. Walrave Boissevain (1876-1944) schreef “mijn leven”. Barthold Hubert Boissevain (1890-1965) schreef het “Stamboek der Boissevains” en Charles Boissevain (1842-1927), letterkundige en hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad liet een lijvig boek over “de geschiedenis van eenige leden der familie Boissevain” na met als titel “Onze Voortrekkers”.

Bij Jeroen Boissevain in Soest hangt nog de originele werktekening van de buitenaansluiting van Prins Hendriksoord aan de muur en worden familiedocumenten en verschenen publicaties over de familie met zorg bewaard. De Boissevain Stichting brengt het “Boissevain Bulletin” uit en houdt via een website de familiehistorie levend. Zo wordt inhoud gegeven aan de gedachte dat “wie het verleden vergeet, geen toekomst heeft”.

Hans Kruiswijk, Soest/De Bilt

 

Dank aan de heer J.J. Meerts en de heer J. Boissevain

Bronnen: Nederlands Patriciaat, Boissevain Bulletin 1999, familiedocumenten

Landgoed “Ewyckshoeve”

het landgoed “Ewyckshoeve” is gelegen aan de noordelijke uitloper van de Utrechtse Heuvelrug, op de grens van de gemeenten Bilthoven, Soest en Zeist. Het landgoed met de historische buitenplaats omvat circa 112 hectare met het in eclectische stijl opgetrokken monumentale hoofdgebouw.

Het gepleisterde koetshuis uit het begin van de negentiende eeuw bestaat uit een hoge bouwlaag en een schilddak gedekt met Hollandse pannen. Het bijgebouw in boerderijstijl is gebouwd in 1992 op de fundamenten van een tuinhuis uit 1834.

Het landgoed bestaat uit een parkachtig gedeelte rond het landhuis, gras en grote solitairen en een bosgedeelte met diverse typen opstanden, weilanden en grienden. De hoofdopzet van het bos bestaat uit een structuur aan slingerende beuken- en eikenlanen van circa 140 jaar oud, door een voormalig nat heidegebied.

Geschiedenis

in 1694 werd het gebied door Justus van Ewyck aangekocht, hij bouwde er een buitenplaats in vroeg landschappelijke stijl. Een brand verwoestte de buitenplaats en in 1834 bouwde de heer D.J. Gildenmeester op de oorspronkelijke fundamenten het huidige huis met haar begin negentiende-eeuwse karakter.

Op 10 juli 1871 werd het landgoed “Ewyckshoeve” publiek geveild en gekocht door Prins Willem Frederik Hendrik van Oranje Nassau. Na zijn overlijden in 1879 kwam het bezit in handen van koning Willem III en prinses Wilhelmina. In 1882 besluiten de erfgenamen van Prins Hendrik het landgoed Ewyckshoeve ‘met aanhorigheden’ te veilen.

De heer J.J. Witsen wordt in 1883 eigenaar van het landgoed en betoont een bijzondere gastvrijheid aan kunstenaars, musici en schrijvers. De kunstrichting “De Tachtigers” waaronder Toorop, Breitner en Verlaine zich schaarden, vonden de inspiratie voor vele meesterwerken op het landgoed “Ewyckshoeve”.

Na het overlijden van de heer Witsen blijft het buiten bewoond tot 1920, waarna de erfgenamen middels openbare verkoop het huis en de directe omgeving verkopen aan de bankier Athanase Adolphe Henri Boissevain.
De heer Boissevain was destijds de bewoner van Prins Hendriksoord en had reeds in 1892 een aantal stukken grond bijgekocht van wat eertijds tot de buitenplaats Ewyckshoeve behoorde. Middels de aankoop van het huis en de omgeving wordt een groot gedeelte van het oorspronkelijke landgoed weer herenigd.

Na het overlijden van de heer Boissevain in 1924 besluiten zijn erfgenamen, Boissevain’s dochter en kleinzoon, de onroerende goederen te veilen. Na de tegenvallende biedingen besluiten de aanbieders het grootste gedeelte van het landgoed te behouden. Na scheiding en deling komt Ewyckshoeve met achterliggende gebouwen, bossen en weilanden toe aan Geraldine Boissevain.
Op 8 september 1925 besluit mevrouw Boissevain in samenspraak met haar echtgenoot het landgoed te verkopen aan de heer Otto Pierre Nicolaas Blom onder de condities uit de voorgaande koopakten. Door diverse additionele aankopen op Soester grondgebied wordt het bezit van de heer Blom uitgebreid tot de huidige 112 hectare.

Na zijn dood geeft zijn weduwe in 1980 het huis in bruikleen aan het Centrum voor Kunst en Ontmoeting. Tot haar overlijden woont mevrouw Blom op het landgoed, waarna haar erfgenamen het landgoed “Ewyckshoeve” verkopen aan de huidige eigenaar. De waardevolle cultuurhistorische elementen die het landgoed rijk is, worden door de huidige eigenaar teruggebracht en gewaarborgd.