Jaargang 2008, nummer 18

 

Voorwoord

Dit Bulletin verschijnt op een moment waarop in de wereld sommige zekerheden uit het verleden wegvallen en daarmee niet zo ‘eeuwig’ blijken te zijn als iedereen wel dacht. Met de overname van de ABN AMRO Bank door het consortium van drie banken (Fortis, Santander en Royal Bank of Schotland) komt niet alleen een eind aan een lange geschiedenis van handel, financiering en organisatie in Nederland, maar eindigt ook een ontwikkeling waarin de Boissevains als rijke patriciërs in Amsterdam ruimschoots hebben bijgedragen. Ook hier herhaalt de geschiedenis zich. Zo is de Bank Boissevain, ooit zelfstandig maar in de crisis in de jaren ‘30 overgenomen door de Twentsche Bank, onderdeel van de ABN geworden. Deze fuseerde uiteindelijk weer tot ABN AMRO om dit jaar overgenomen te worden en in delen te worden opgesplitst.

Hiermee is een einde gekomen aan een tijdperk waarin beslissingen genomen werden en zaken gedaan werden op een manier die niet meer gewenst is. Het vroeger gangbare, om in een betrekkelijk kleine kring met nauwe onderlinge familierelaties en waarin iedereen elkaar kende, onderling zaken te doen, is vervangen door een cultuur waarin een sterke man de leiding heeft. En dat zolang de vele anonieme aandeelhouders daarin vertrouwen hebben. Niet meer het vertrouwen van een gesloten zichzelf corrigerende groep met kennis en kunde is belangrijk, maar de wijze waarop de financiers voldoende overtuigd worden door mooie cijfers en winsten. Of wij daarmee beter af zijn, zal moeten blijken. Duidelijk is dat hiermee een tijdperk definitief is afgesloten en dat de wereld waarin het geld regeert de overhand heeft.

Dit laat onverlet dat er nu weer een mooi Bulletin is verschenen. Weer een Bulletin met mooie verhalen over ons eigen roemrijke verleden. Een deel van dat verleden ligt niet zo ver achter ons. Eind 2006 zijn Charles en Jan Willem afgetreden na jaren veel energie en tijd te hebben gestoken in de Stichting, in het Bulletin en in de organisatie van diverse reünies. De Stichting en het Bulletin rustten de laatste jaren vooral op hun schouders. Veel dank voor hun inspanning en actieve inzet. De namen en adressen van het huidige bestuur vindt u in het colofon.

Het nieuwe bestuur was al in het vorige Bulletin aangekondigd (kerst 2006). Hoewel er veel plannen leven, zijn ook duidelijke beperkingen. Ook voor de Stichting is er geen leven zonder financiën. Om een Bulletin uit te geven en om de website te onderhouden is zo’n € 2.100,- nodig. Dit is alleen mogelijk als er voldoende donaties binnen komen om iets te kunnen versturen. Dat betekent dat uw bijdrage ook nu van groot belang is. Als u elk jaar bijvoorbeeld € 20,- euro doneert, kan de stichting ook volgend jaar verder.

Er zijn verschillende ideeën om het Bulletin in een andere vorm te verspreiden en de inhoud aan te passen. Daarbij denken wij aan artikelen van levende familieleden over hun activiteiten en werkzaamheden. Of plannen waar andere familieleden wellicht ook belangstelling voor hebben. Ook denken wij erover om het Bulletin en eventueel een nieuwsbrief elektronisch te versturen. De kosten daarvan zijn gering. Dus geef uw e-mailadres en uw suggesties door aan de secretaris. Laat ons vooral weten wat u ervan denkt.

Ik hoop dat wij op deze manier niet alleen terugkijken naar het verleden en daarvan leren, maar gericht op het heden en de toekomst verder kijken: ‘Ni regret du passé, ni peur de l’avenir’.

Gustaaf Willem Oscar Boissevain (NP p 116)

voorzitter Boissevain-Stichting

 

DR. MIA BOISSEVAIN (1878 – 1959), DEEL 2

In het vorige Bulletin heeft Klarissa Nienhuys Mia’s (NP p 54-55) jeugd beschreven, het gezin waarin ze opgroeide, het huis in Amsterdam en het buiten waar de familie tien jaar lang de zomer doorbracht. Ook haar opleiding tot biologe werd beschreven en haar werkzaamheden als bioloog na haar promotie in Zwitserland . Het bijschrift bij de foto van de vijf jongedames op de trap op pagina 11 van dat Bulletin dient overigens van rechts naar links gelezen te worden. Mia Boissevain staat het meest rechts op de trap. In dit Bulletin besteedt Klarissa aandacht aan de betrokkenheid van Mia bij de beweging voor het verkrijgen van het Vrouwenkiesrecht in de periode 1908-1915.

De opkomst van de vrouwenbeweging

‘Ik beschouw het vrouwenkiesrecht als het allerbelangrijkst, wat de naaste toekomst ons brengen kan, belangrijker dan welk onderwerp de partijen ook voor’t ogenblik verdeelt. Buiten alle partijstrijd om beschouw ik het vrouwenkiesrecht als het eenige middel om paal en perk te stellen aan de wantoestanden, die op haar gebied heerschen.’

(Dr. Mia Boissevain, presidente van de tentoonstelling ‘De Vrouw 1813- 1913’ in de folder van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht)

De eerste Nederlandse geschriften over de wenselijkheid van verbetering van de rechten van vrouwen dateren van 1870. In de tijd daarna ontstaan eerst een paar vrouwenbladen. Vervolgens komt er ook wat beweging in de politiek: vanaf 1885 ontstaan er vrouwenverenigingen in de Sociaal Democratische Partij. Deze zijn echter vooral bedoeld om propaganda voor meer mannenkiesrecht te maken en aandacht voor de eigen partij te bevorderen. In 1889 richtten Wilhelmina Drucker en anderen de Vrije Vrouwenvereeniging (VVV) op, de eerste organisatie die primair de belangen van vrouwen als doelstelling heeft. Een paar jaar later blijkt ten tijde van een wetsvoorstel tot herziening van het kiesrecht, dat de bestaande politieke partijen geen enkele belangstelling voor vrouwenkiesrecht hebben. Daarom stampt de VVV in 1894 een Vereniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK) uit de grond. Mia is op dat moment bijna 16 en bereidt zich voor op het eindexamen van haar middelbare school.

Maria (Mia) Boissevain (NP p 54-55), datum onbekend

Studieperiode: 1896-1901

Mia gaat op haar 18 de studeren. Vrouwen konden toen formeel al 25 jaar studeren: Aletta Jacobs was in 1871 de eerste vrouwelijke student. Mia werd door haar ouders gesteund. Haar oudere zuster An studeerde ook al medicijnen. Mia was bevriend met Marie de Vries, een briljante vrouw die al een generatie eerder biologie had gestudeerd. (Zie Bulletin 2006, pagina 12)

In haar manuscript ‘Een Amsterdamsche familie’ schrijft Mia: ‘Het leek mij de gewoonste zaak van de wereld aan de universiteit te studeren. Overal, zoowel van de studenten als van de professoren, ondervond ik de grootste tegemoetkoming. Toch was ik mij wel bewust van het betrekkelijke nieuwe van die onderneming en had sterk het besef dat ik me als meisje heel ingetogen gedragen moest.’

Dat besef werd bevorderd doordat meisjes tijdens college geacht werden op de voorste bank te zitten Deze gewoonte bestond overigens ook op andere universiteiten. Toen Mia de eerste keer met An meeging naar een college, kwamen ze op het laatste moment binnen. De eerste bank was al geheel bezet, maar twee studenten maakten daar plaats voor de meisjes, onder luid applaus van de overige ongeveer honderd studenten. Ook op andere manieren werd Mia’s uitzonderingspositie benadrukt. Halverwege haar studietijd werd er een wetenschappelijk artikel gepubliceerd over de afmetingen van hersenen bij allerlei zoogdieren, volgens welke vrouwen een kleiner hersengewicht hadden dan mannen. Dat gaf op het zoölogisch laboratorium, waar Mia het enige meisje was, aanleiding tot quasi-leuke beweringen. Meisjes zouden wel braaf kunnen studeren, maar kunnen geen wetenschappelijk initiatief vertonen of serieuze wetenschappelijke prestaties leveren. Bovendien zouden ze daarbij banen van mannen in beslag nemen. Dergelijke opmerkingen maakten dat Mia meer bewust over haar eigen positie begon na te denken. Ook al lette ze niet zo erg op de vrouwenbeweging, Mia kreeg er in die tijd toch wel wat van mee. In 1898 bezocht Mia, 20 jaar oud, met haar moeder de Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag. Een standbeeld van een vrouw met een zware kruiwagen met stenen blijft haar erg bij. (Ze) ‘zag toen in dat de vrouwenbeweging niet maar een beweging voor eenige intellectuele en ontwikkelde menschen alleen was,’ zo schrijft ze in 1915 in haar memoires. Mia vertelt daarin verder niets over haar uitzonderingspositie als vrouw tijdens haar studie, maar ze heeft er sommige familieleden blijkbaar wel over verteld. Volgens Jan den Tex (NP p 464), een neef waar Mia veel contact mee had en de zoon van Mia’s oudere zuster An en Gideon den Tex (NP p 54), waren de jongens niet altijd even aardig. Ze tapten vaak schuine moppen in het bijzijn van de meisjes. Volgens haar peetdochter Mia, de dochter van Mia’s zuster Nella en Aat van Hall ( NP p 54), liet een van de hoogleraren tijdens een college openlijk zijn afkeuring blijken een vrouw onder zijn gehoor te zien. Daarom ging ze in Zürich studeren. Volgens de herinneringen van Jan den Tex was de botanicus professor Hugo de Vries een tegenstander van meisjesstudenten en liet dat ook blijken. Volgens Jan werd professor de Vries ‘verliefd op haar en dwong haar bijzonder lief te zijn om haar examens te halen. Zo werd studeren in Amsterdam onmogelijk voor haar. Ze is naar Zürich gegaan om daar verder te studeren.’ Het gesuggereerde verband tussen de situatie in Amsterdam en haar promotie in Zürich is voor nuancering vatbaar. De memoires van Mia wijzen niet op een sterk anti-vrouwenklimaat tijdens haar opleiding. De Vries kan Mia hebben lastig gevallen, dat kan heel vervelend zijn geweest en zeker een stimulans om in een andere stad te promoveren. De Vries zou echter inhoudelijk niets met haar promotiewerk te maken hebben gehad: hij was planten- en mutatiedeskundige. Mia was dierkundige, gespecialiseerd in zeebeesten en vooral schelpdieren, Ze studeerde af aan het zoölogisch laboratorium van professor Max Weber. Haar onderzoek in Zürich betrof een onderwerp dat direct aansloot bij werk dat ze eerder in Amsterdam had gedaan.

De kinderen van Jan Boissevain en Nella Brugmans, 1902.

V.l.n.r. bovenste twee: Mia (geboren 1878) en Walrave (1876). Middelste rij: Nella (1873), An (1872), Thijs (1870), Heleen (1867), Charles Daniël Walrave (‘Karel‘, 1866) en Li (1864). Onderste vier: Aat van Hall (getrouwd met Nella), Wil de Vos (echtgenote van Karel), Sissy Blijdenstein (vrouw van Walrave) en Gi den Tex (gehuwd met An).

Zurich: 1902-1903

Volgens de website van de universiteit van Zürich schreef Mia zich daar in oktober 1902 in en beëindigde de inschrijving in juli 1903. Het academische klimaat in Zürich zal een stuk vrouwvriendelijker zijn geweest dan dat in Nederland. Het aantal vrouwelijke studenten in Zwitserland was gemiddeld 10%. Negentig procent van deze studentes kwam uit het buitenland, waaronder overigens ook vrouwen die uit Rusland waren gevlucht en zich inschreven als student ter legitimatie van hun verblijf. Vooral de Duitstalige universiteiten van Zürich en Bern trokken veel buitenlanders aan. Mia had in Zürich een heerlijke tijd en voelde zich volkomen vrij. Ze ontmoette er ‘een aantal frissche jonge vrouwen, vooral Scandinavische, Russische en Amerikaansche, die dieper over de vrouwenproblemen nagedacht hadden’ dan zijzelf.

Op bezoek bij Aletta Jacobs: 1905

Nadat Mia uit Zürich teruggekomen was, overleden haar ouders kort na elkaar. Het ouderlijk huis in Bilthoven werd verkocht en Mia verhuisde met haar broer Matthijs en haar zuster Heleen in 1905 naar de tuinmanswoning ‘Boschzigt’. Geïnspireerd door de gesprekken in Zürich, probeert Mia uit te vinden wat er in Nederland op het gebied van de vrouwenemancipatie gedaan wordt en gaat op bezoek bij Aletta Jacobs. Dr. Jacobs, 51 jaar oud, had een paar jaar eerder haar dokterspraktijk neergelegd toen ze voorzitter van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht was geworden. Jacobs was voorstander van kinderbeperking en had sympathie voor de vrije liefde. Dat was op zichzelf al genoeg voor een sterke afkeer tegen haar persoon in nette kringen. Er werd ontzettend over haar geroddeld en er deden verhalen de ronde dat ze illegale abortussen uitgevoerd zou hebben. De vrouwen, die dit zouden hebben kunnen bevestigen, hebben dit echter nooit gedaan. Mia kijkt op de stoep voor het huis zenuwachtig om zich heen of iemand haar misschien gezien heeft, omdat ze bang is dat men haar ‘zou verdenken voor een illegale operatie daar op bezoek te gaan.’ Mia ervaart het gesprek met Aletta Jacobs als prettig en informatief. Ze krijgt een aantal brochures over de rechtspositie van de vrouw in Nederland en Aletta vertelt over haar recente reis naar Amerika, waar het vrouwenkiesrecht in Colorado net is ingevoerd. Ze hebben een levendige discussie. Mia vindt Aletta oprecht en scherp, ze heeft een helder politiek inzicht en ze blijft altijd zakelijk, op persoonlijke aanvallen reageert ze niet.

Congres Vrouwenkiesrecht: 1908

Mia schreef later: ‘Ieder die de moeite wil doen in de dagbladen en tijdschriften uit die dagen na te lezen, zal het opvallen hoe vaak de vrouwen belachelijk werden gemaakt en de mythe van de manwijven – dat waren de vrouwen die bewust naar verbetering streefden – aangedikt werd.’

De VvVK zou in juni 1908 gedurende een week gastvrouw zijn voor het derde Internationale Congres voor Vrouwenkiesrecht. Het Amsterdamse Concertgebouw was afgehuurd voor de bijeenkomsten van de 1.200 buitenlandse gasten uit 21 landen. Op verzoek van Aletta Jacobs hielp Mia bij de voorbereiding van het congres. Mia had zich voorgenomen om tijdens het congres op zoek naar manwijven te gaan. Die blijken echter niet te vinden. Ze ontmoet wel twee pioniers van de vrouwenbeweging: Wilhemina Drucker (61) en Joanna Naber (49). Vooral de eerste is in de dagbladen zo vaak belachelijk gemaakt dat Mia verwachtte, dat dat dan wel een van die manwijven zal zijn. In werkelijkheid bleek mevrouw Drucker een ‘klein, heel eenvoudig, uiterst gesoigneerd vrouwtje, dat eerder de indruk maakt verlegen te zijn.’ Mia raakt op het congres diep onder de indruk van de spreeksters, waaronder de presidentes van de Amerikaanse en Engelse vrouwenkiesrechtorganisaties.

Mia (links) en Rosa Manus in Wiesbaden, 1929

(Collectie Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging, Amsterdam)

Mia en Rosa

Kort voor de opening van het congres wordt Mia gevraagd om tijdens het congres in de hal een informatiebureau voor congresgangers te verzorgen. Daarbij werkt ze samen met Rosa Manus. Mia kende Rosa alleen uit de verte. Rosa is drie jaar jonger dan Mia en zat een aantal klassen lager op dezelfde lagere en middelbare school. Rosa is afkomstig uit een zeer welgestelde joodse familie. Rosa was op school een matige leerling. Haar vader vond het niet goed dat ze betaalde arbeid verrichtte, maar bij vrijwilligerswerk bleek dat ze een fenomenaal organisatietalent had. Ze zou later de rechterhand van Aletta Jacobs en secretaresse voor de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht worden.

Het duo wordt zo enthousiast door het congres dat ze daarna voorstellen een Propaganda Commissie voor de VvVK te vormen. Ze moeten dan nog wel veel leren over de verantwoordelijkheden en taakverdeling in een organisatie. De dames organiseerden eens in Amsterdam een bijeenkomst met voordrachten, waarvoor ze zonder overleg 1 gulden entree vroegen, bedoeld om de kas te spekken. De voorzitter van de VvVK afdeling Amsterdam werd daar zo kwaad over, dat ze in eigen persoon bij de ingang ging zitten om er voor te zorgen dat de leden van de vereniging maar een dubbeltje hoefden te betalen. Later organiseerden ze avonden met een dubbeltje entree waarbij de toeloop zo groot was, dat de politie er aan te pas moest komen om het gedrang van mensen, die er niet meer in konden, in goede banen te leiden. Als presidente van de Commissie opent Mia zulke avonden.

Intussen krijgt Mia een meer centrale rol in de VvVK: ze reist medio 1911 met Aletta Jacobs en Rosa Manus naar de Internationale Congres van de Wereldbond voor Vrouwkiesrecht in Stockholm. Daar zal ze ook Nella Boissevain gezien hebben, haar nicht, het negende kind van Mia’s oom Charles (NP p 69), die daar namens de concurrerende Bond voor Vrouwenkiesrecht het woord doet. Al deze activiteiten geven Mia en Rosa voldoende ervaring om in 1912 voor te stellen om een tentoonstelling over de veranderde positie van de vrouw 1813-1913 te organiseren.

Klarissa Nienhuys, Groningen

(Kleindochter van Maria Boissevain – Pijnappel en dochter van de romanschrijfster Dieuke Boissevain, zie NP p 71)

Mia Boissevain, datum onbekend

(Collectie Stadsarchief Amsterdam)

 

ENKELE VERZETSSTRIJDERS IN HERINNERING GEBRACHT

Hester Grinberg – Boissevain (NP p 74) stuurde een aantal artikelen in voor het Boissevain Bulletin, waarbij de nadruk ligt op de Tweede Wereldoorlog en een aantal familieleden in het verzet. Op deze plaats is het dan goed nog eens de aandacht te vestigen op een tweetal verzetsmusea en publicaties. Het Zuid-Hollands Verzetsmuseum te Gouda organiseerde in 1994 de tentoonstelling ‘Heden – Verleden, Blijmoedig gedragen. Mies Boissevain – van Lennep (1896 – 1965)’, inclusief een gelijknamige publicatie over Mies. In het Verzetsmuseum Amsterdam (ingang tegenover Artis) is permanent een exemplaar van de Nationale Feestrok uit circa 1947 tentoongesteld. In 2005 zag een omvangrijk boek over de Erebegraafplaats te Bloemendaal het licht. Auteur Peter H. Heere en uitgave Sdu Uitgevers te den Haag. Op de pagina’s 285 e.v. staat uitgebreid de achtergrond beschreven van de fusillades in het Duingebied bij Overveen op 1 oktober 1943 en de biografieën van de drie daar vermoorde Boissevains: Gideon Willem, Jan Karel en Louis Daniël.

Onze voorouders, Hugenoten, trokken enkele honderden jaren geleden weg uit Bergerac en omgeving om verdrukking en vervolging vanwege hun geloof te ontlopen. Ze veranderden van naam: Bossavy > Bossevin > Boissevain (en varianten hierop). Hun diepgewortelde strijd voor rechtvaardigheid, de drang naar onafhankelijkheid en het tegengaan van ontberingen leidde ook tot onze familiespreuk ‘Ni regret du passé, Ni peur de l’avenir’. Deze klank uit het verleden leidde in Holland tot nieuwe ontwikkelingen, met een ‘Gouden Eeuw’ van welvaart, zeevaart, scheepsbouw, bankiersleven en rijkdom met bouw en bewoning van prachtige grote grachtenhuizen in Amsterdam. Verschillende families, zoals Boissevain, Van Hall, Den Tex, Van Lennep en Van Tienhoven ‘schakelden zich aaneen’ als ware het één grote familie, met feesten en huwelijken over en weer. Maar zo bleef het niet. Begin jaren dertig van de vorige eeuw kwam Hitler in Duitsland aan het bewind, de Tweede Wereldoorlog volgde. De overtuigende dwang van het niet willen accepteren van ‘Deutschland Über Alles’ werd al vroeg en heftig in onze familie gevoeld. Steeds meer familieleden verzetten zich in de jaren 1940 – 1945. Bovenmenselijke daden werden volbracht. Zij, die zich van uur tot uur, van dag tot dag, blootstelden aan het gevaar voor eigen leven en dat van anderen en met gevaar van verraad voor iedere daad wil ik hier noemen en eren. Op drie ervan ga ik kort nader in.

  1. Jan en Mies Boissevain – van Lennep en hun vijf kinderen Janka, Gi, Frans, Annemie en Sylvia

  2. Bob en Sonia Boissevain – van Tienhoven met zes kinderen Bob, Marit, Son, Willem, Hester (auteur van dit artikel) en Charles

  3. Gijs van Hall, onder meer later burgemeester van Amsterdam

  4. Wallie en Tilly van Hall met drie kinderen Attie, Aad en mary-Ann

  5. Frits van Hall, die met zijn twee broers Gijs en Wallie in het verzet samenwerkte en zich op financieel gebied zeer verdienstelijk heeft gemaakt

  6. Jet, Gon, Lies, Marie en Elizabeth Boissevain, die ook samenwerkten met Gijs en Wallie

  7. Hester Barac’s - van Lennep.

 Tante Mies (NP p 56) bracht samen met haar zusje Hester Barac’s - van Lennep in de jaren 1933 – 1940 al actief grote groepen Joodse kinderen uit Duitsland naar Nederland. Zelf nam zij een jongen op in haar gezin met vijf kinderen: de later bekende violist Theo Olof. Haar hele gezin stelde zich dapper tegen de Duitsers (met de scheldnaam ‘Moffen’) op. Zij woonden in de Corelli straat 6 in Amsterdam. Later werden ze bekend onder de naam van de verzetsgroep CS6, die Joodse kinderen in veiligheid bracht, papieren vervalste en nog veel meer. In hun kelder hadden ze allerlei vernietigingsmateriaal, brandstof en ammunitie verstopt om de vijand mee aan te vallen, wanneer zich de mogelijkheid zou voordoen. Ze waren bezeten van het illegale werk, waaraan door verraad een abrupt einde kwam. De twee zonen Janka en Gi werden opgepakt en gefusilleerd. Oom Jan, tante Mies en de overige kinderen werden naar verschillende gevangenissen overgebracht. Annemie en Sylvia werden later weer vrijgelaten. Mijn oom Jan kwam via Westerbork in het kamp Buchenwald terecht, waar hij ook overleed. Zoon Frans overleefde de kampen, maar was bij terugkomst zwaar ziek. Tante Mies heeft verschillende kampen doorgemaakt, haar gezondheid was er heel slecht aan toe, maar ze had toch het optimisme in zich om voor iedereen een steun en toeverlaat te zijn: in haar gezin en in de kampen, waar ze de bijnaam ‘mammie’ kreeg. Na de oorlog, alhoewel ze veel ellende had meegemaakt en haar gezondheid nog steeds veel te wensen overliet, overwelmde ze haar omgeving met energie en optimisme. Ik herinner me nog hoe ze met een ‘schaterlach’ vertelde hoe blij ze waren wanneer ze, bij het overbrengen van het ene kamp naar het andere, op matrassen mochten slapen die bezaaid waren met kakkerlakken in plaats van in de barakken vol met luizen. Na terugkomst in Nederland was er niet veel meer over en niet veel te verkrijgen. Ze besloot uit ieder kledingstuk een nog niet versleten of kapot vierkantje of driehoekje te knippen en aan elkaar te naaien om er op die manier een zogenoemde ‘feestrok’ van te maken. Het verleden weg, de toekomst tegemoet. Het werd een succes. Met deze feestrok besloot ze ook naar Amerika te gaan, lezingen te houden en te vertellen over alles wat er in Nederland was vernield en in de kampen was gebeurd tijdens de oorlog. De ‘rok’ werd het symbool voor een nieuwe opbouw. Een overwinning op ’t geleden leed. Ze reisde ermee door heel Amerika en werd, bijvoorbeeld bij samenkomsten van vrouwenverenigingen, bemind door iedereen. In het Verzetsmuseum Amsterdam wordt een exemplaar van deze Nationale Feestrok tentoongesteld, mede als herinnering aan deze bijzondere persoonlijkheid.

Adrienne Minette (‘Mies’) Boissevain – van Lennep (NP p 56)

Robert Lucas Boissevain, vader of oom Bob zoals hij werd genoemd, werd in 1895 geboren en overleed in het Nazi-concentratiekamp Zwieberge (Halberstadt, Magdeburg) op 12 april 1945 (NP p 74). Hij moet ook als een speciale persoonlijkheid worden genoemd. Net als Mies had ook hij de gave het leven van de optimistische kant te bekijken. Hij was een steun en toeverlaat voor velen, inclusief voor zijn eigen gezin. Dat bleek later vooral uit de informatie van de mensen die hem hadden leren kennen in de verschillende kampen. Zijn grote gevoel voor humor en optimisme en van liefde voor de medemens heeft zijn stempel diep in onze herinnering gedrukt. Ook bij hem leefde de diep gewortelde strijd voor rechtvaardigheid in ons bestaan. Hij ging tegen het onrecht in. Dit speelde in zijn hele leven een grote rol en het was geheel in de geest van de Hugenoten. Hij had een overtuigende dwang van het niet accepteren van onrecht, zoals destijds bij het ‘Deutschland über alles’, de Jodenvervolging en het in beslag nemen van voor het Rijk belangrijke ondernemingen. Door sluiperige verwikkelingen kwam zo het faillissement in de jaren ‘30 in onze familie tot stand. Het geld kwam in Duitse handen.

De eerste jaren van de oorlog woonden we in Zantvoort in de ‘Duinhut’ tegenover de zee en zagen veel neergeschoten vliegtuigen brandend in de zee verdwijnen. Vader kwam vaak laat en vermoeid thuis, zette dan meteen Radio Oranje aan. Vaak keek hij ernstig en erg bezorgd. Hij was al geruime tijd verwikkeld in de geheime zaken van het illegale werk. De grote geheimen waarmee hij te maken had, hebben we nooit kunnen achterhalen. Hij zweeg als goud.

Regelmatig kwamen enorme zeemijnen aanspoelen, die een groot gevaar voor de bewoners aan de boulevard vormden. We moesten ons geliefde huis onmiddellijk en binnen één dag verlaten en hebben gezien hoe de SS-ers het huis afbraken om de kust vrij te maken. We verhuisden van het ene huis naar het andere. Viermaal in een half jaar en kwamen uiteindelijk in een groot huis in Haarlem terecht waar we tot na de oorlog bleven. Het huis was van een neef die naar Amerika was uitgeweken.

In het voorjaar van 1943 werd de vervolging van de Joden steeds dreigender. Op een middag kreeg mijn moeder (tante Son) een telefoon van vader: ‘zorg voor eten, want ik breng drie gasten mee naar huis.’ Deze zorg bleef de zorg van nog twee jaar en twee maanden. Een Russisch Joods echtpaar met een 29-jarige dochter Anja waren via Finland en Duitsland naar Nederland gevlucht. Ze trokken bij ons als onderduikers in. Later kwam er nog een Hollandse tandarts bij, die ook via-via bij ons werd ondergebracht. Deze mensen hadden met elkaar en onder elkaar vaak ruzie. De taal konden we niet verstaan. In de zomer van 1943, drie maanden later, nam vader van ons afscheid, hij moest vluchten. We hebben hem nooit meer gezien. Hij werd later toch ontdekt, werd opgepakt en bracht tien maanden in een cel alleen in Scheveningen door. Later door naar Vught, waar hij zogenaamd werd verzorgd en weer beter werd. Na enkele maanden door naar de concentratiekampen Buchenwald en Zwiebergen in Duitsland. Zijn grote optimisme was in hem, zat in hem. Hij liet de moed nooit zakken. Op 12 april 1945 kwamen de Geallieerden het kamp bevrijden. ‘Kom’, zie hij, we gaan de Amerikanen tegemoet.’ De emotie was groot, té groot ….. 12 april was ook zijn trouwdag.

Laatste foto van Robert Lucas Boissevain (NP p 74), zomer 1943.

De derde persoon die ik in dit kader wil noemen, was Walrave (Wallie) van Hall (1906 – 1945). Hij ook vereist speciale aandacht. In februari 2006 verscheen bij uitgeverij Inmerc een boek over hem, geschreven door Erik Schaap. Als ondertitel gaf de auteur hem de naam ‘De premier van het verzet’.

Ongelofelijk wat hij allemaal heeft gedaan tijdens de bezetting! Samen met zijn broer Gijs van Hall was hij de grote bankier in Amsterdam. Ze gaven financiële steun aan degenen die betrokken waren bij de ‘Februaristaking’ en de ‘Spoorwegstaking’. Zo konden de stakingen plaats vinden. Bij deze stakingen waren 30.000 mensen betrokken. Ze gaven financiële steun aan zo’n 8.000 Joden en waren de oprichters van nog veel meer organisaties in opstand tegen het Duitse bewind in Nederland. Bijvoorbeeld de Stichting ’40 – ’45. Als Wallie binnen kwam in vergaderingen was iedereen meteen stil en blij met zijn komst en aanwezigheid. Historici als Lou de Jong en Geert Mak bestempelden hem tot de centrale figuur, de spin in het web, van de illegaliteit. Vlak voor het einde van de oorlog werd hij door een medewerker, die al opgepakt was, verraden, onmiddellijk ter dood veroordeeld en twee dagen later gefusilleerd. Zijn laatste woorden waren: ‘Ik denk aan jullie, het liefste in mijn leven.’ Dat was bedoeld voor Tilly zijn vrouw en Attie, Aad en Mary, zijn kinderen.

Hester Grinberg – Boissevain, Kiryat Tivon (Israël)

Walraven van Hall, afgebeeld op de cover van het boek.

 

EEN ONDERNEMEND TYPE!

Geïmponeerd door de artikelen die zij aanleverde voor onze Bulletins (niet eens kon alles in deze aflevering worden geplaatst!) vroeg de redactie aan Hester Grinberg – Boissevain (NP p 74) eens op te schrijven waarom en hoe zij in haar nieuwe vaderland Israël terecht kwam. Een boeiend en actueel relaas met uiteraard foto’s uit eigen collectie.

Toen ik ongeveer vijf jaar oud was, kwam de vraag naar voren als bij zo velen: ‘Wat wil je worden als je groot bent?’ Mijn drie wensen waren: koningin, moeder en verpleegster. En wie ben ‘ik’: Hester, op 5 april 1934 geboren en voor de lezers van het Bulletin waarschijnlijk onbekend. Ik ben de achterkleindochter van Charles Boissevain van het Algemeen Handelsblad. Dat zal bekender in de oren klinken. Mijn overgrootvader Charles was de tweelingbroer van een Hester. Ongeveer drie generaties later werd er weer zo’n tweeling geboren: Hester (ondergetekende) en Charles (Leidschendam).

Ik schreef iets over enkele leden in onze familie die zoveel respect afdwongen tijdens het verzet in de Tweede Wereldoorlog. In de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw maakte Nederland de wederopbouwperiode door. Het leven kreeg de speciale routine van een geordende maatschappij. Ik volgde een opleiding tot verpleegster en wijkverpleegster en voelde dat iets van mijn energie zich ‘ergens’ zou kunnen ontplooien waar het nog niet zo georganiseerd was. Ik wendde mij tot de ambassade van de jonge staat Israël, waar toen massa’s emigranten het land binnen kwamen uit alle delen van de wereld. Mijn reis voor onbepaalde tijd werd georganiseerd en ik zou in een kibboets (dat is een collectieve nederzetting) komen te werken. Hier waren nog wat Hollanders, die met het land en de taal bekend wilden raken. Eerst ging ik met de trein naar Marseille en daarna met het emigrantenschip ‘Theodor Herzl’, via Napels, naar Haifa in Israël. Dat waren vijf dagen op zee. De frisse zeelucht en de diep blauwe kleur van het water versterkten mijn wens iets te kunnen bijdragen aan dit land.

In de eerste kibboets ‘Beit Ha Emek’ tijdens de druivenpluk, 1961.

21 juni 1961 18.00 uur ’s middags. Het was een bloedhete dag met circa 40 graden Celsius toen ik aankwam. Na het verlaten van het schip krioelde de mensenmassa door elkaar heen in een kazerne. Ik krioelde mee, wat kan je anders. Het duurde even en toen zag ik een man met een grote opvallende snor. In zijn hand hield hij een karton met mijn naam erop. We reden naar het noorden waar de kibboets lag. Ik zou in de druivenpluk komen werken. Wat een bof, want ik had het jaar tevoren drie weken in de Bourgogne (Frankrijk) druiven geplukt om wat van het harde werk te leren. Tijdens dit werk deden de flessen Beaujolais wijn de ronde en wij dronken het als water. In de kibboets begonnen we vroeg. Om 5 uur ’s morgens al op weg naar de druiven, waar ik drie maanden werkte. Bij het eindfeest werd ik gepromoveerd tot ‘Koningin van de druivenoogst.’

Om Hebreeuws te leren, moest ik naar een andere kibboets, waar de emigranten kwamen om samen les te krijgen. De grootste groep kwam uit Roemenië en verder waren er nog wat mensen uit Canada, China en Marokko. Deze kibboets bestond al 30 jaar en was door Polen opgebouwd, die dat als hun grootste ideaal zagen. Ze waren niet al te vriendelijk en wij werden aan de buitenkant van de kibboets ondergebracht in houten barakken achter prikkeldraad. Dat was 10 minuten lopen naar de douchecellen en de eetzaal. In deze barak fungeerde mijn bed als stoel en mijn koffer als tafel. Ik sliep op een Staphorster doekje en op een morgen werd ik wakker, terwijl een muis en ik elkaar lief aankeken!

Achter prikkeldraad in de tweede kibboets ‘Ein Shemer’ om Hebreeuws te leren, 1961-’62.

De meeste emigranten verlieten voor het einde van de cursus de kibboets. Ze gingen of terug naar hun land van herkomst of naar Tel Aviv. Ik bleef vrijwel alleen over een kreeg het schoonmaken van de douchecellen en de WC’s op het terrein buiten onder mijn hoede. Dat deed ik samen met wat Hollanders wier ouders in de concentratiekampen in Duitsland waren omgekomen. De akoestiek was daar goed en we zongen luid en volop Hollandse liedjes zoals ‘Waar de blanke top der duinen schittert in de zonnegloed.’ Dit tot groot plezier van de mensen die daar langs liepen. Behalve dit was er ook werk in de tomatenpluk en in de gezamenlijke eetzaal. Op een dag werd ik bij de directie van de kibboets geroepen. Ik kreeg het aanbod om als hun afgevaardigde in een nieuwe kibboets als verpleegster te gaan werken. Die kibboets lag 500 meter van de Jordaanse grens, zonder prikkeldraad en er was geen mens te zien. Een beter voorstel had het niet kunnen zijn. Mijn grote wens kwam uit en ik kreeg een houten barak, waar zowel oorlogsmaterialen (voor het geval er iets zou gebeuren) als medicijnen in een kartonnen doos door elkaar heen lagen. Aan mij de uitdaging om van deze barak een kleine kliniek te maken. 1 uur per week kwam er een echte dokter en de rest van de week moest ik het zelf maar oplossen. 1 dag in de week was er een tandarts en zelfs kregen we een schoonheidsspecialiste!

Op deze afgelegen plaatsen lag het voor de hand te zorgen voor de aanschaf van medicijnen. Apothekers waren in die tijd heel schaars. Verder had ik de zorg voor de instrumenten en de sterilisatie ervan. Ik hield elke dag spreekuur, dat wel eens uitliep van 1 uur ’s middags tot 3 uur ‘s nachts. In het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam volgde ik destijds een cursus Zwangerschapsgymnastiek en paste die toe op de aanstaande moeders van de kibboets. Dit kreeg veel waardering van het ziekenhuis waar hun bevallingen voorbeelden werden.

De mensen in deze kibboets waren gedeeltelijk Israëliërs en gedeeltelijk Fransen, elk met hun eigen meegebrachte cultuur en idealisme. Dit veroorzaakte vaak conflicten. Ik kon ze, van beide kanten bezien, begrijpen en helpen dankzij mijn Europese achtergrond. Dat gaf veel voldoening. Niet ver hiervandaan lag een nederzetting – geen kibboets – en daar hadden ze ook een verpleegster nodig. Ik kreeg een fiets en kon ze zodoende makkelijk bereiken. Het waren meestal emigranten uit Turkije en vrijwel hetzelfde tafereel deed zich hier voor als boven beschreven. Een rommelzaakje. Ons beroep geeft veel mogelijkheden en ik besloot om nog tijd vrij te maken om in het op 15 kilometer afstand gelegen ziekenhuis te gaan werken. Het werden wel zo’n 16 uur per dag, maar het vermoeide mij nooit. Mijn salaris ging overigens naar de kibboets.

In de derde kibboets ‘Ha Horsim’ als verpleegster op de fiets op weg naar omliggende nederzettingen, 1962-’64.

Op zaterdagen mochten er geen auto’s of bussen rijden. Ik werd op ‘sabbat’ (dat is de wekelijkse gewijde rustdag van de Israëlieten: de zaterdag) opgehaald door een ambulance en een keer gebeurde het dat wij bij aankomst bekogeld werden met stenen. Dat was de wraak op het rijden tijdens de sabbat en de chauffeur werd hierbij gewond. De patiënten, op de afdeling die het meest van onze aandacht vergden, waren de orthodoxen. Het was de anticlimax voor het rijden op sabbat.

Het Hollandse tijdschrift voor Ziekenverpleging heeft mij vaak geholpen bij mijn verantwoordelijkheid voor zoveel mensen en kinderen met hun diverse kwalen. Op een dag kwam tijdens het middageten een kibboetslid naar mij toe. Hij had ’s morgens katoenvellen besproeid met het dodelijke vergif Parathéon. Hij voelde zich niet goed. In mijn barak had ik een overzicht van symptomen en behandelingen. Via mijn Hollandse tijdschrift begon ik met atropine-injecties en vervoerde hem meteen naar het ziekenhuis in Tel Aviv. Zijn toestand verergerde zichtbaar, maar toch heeft hij het overleefd. Voor ons beiden een geluk.

De andere anekdote die misschien niemand zal kunnen navertellen, was op een dag dat ze van de koeienstal naar mij toekwamen met de vraag of ik kon helpen bij het temperaturen van de koeien waarbij een ziekte was uitgebroken. Het werd een drama! Bewapend met thermometers, die ik in voorraad had, ging ik op weg. De temperatuur opnemen bij een koe is niet hetzelfde als bij een baby. De ene na de andere thermometer verdween in het koeienlichaam. Voor dat werk moet je sterk zijn, want de staart van een koe heeft veel kracht.

Een praatje en het uitdelen van medicijnen tijdens het spreekuur in de kibboets ‘Ha Horshim’, 1962-‘64.

De dag brak aan dat ik moest beslissen of ik wel of niet lid zou worden van de kibboets. Dat wil zeggen dat de Kibboetsraad (directie of allemaal samen) beslissingen neemt, waarbij ik mij dan zou moeten neerleggen. Alhoewel ‘helaas’, koos ik ervoor het niet te accepteren en kwam in een pas gebouwde emigrantenplaats terecht. Er was daar een ziekenhuis. De zesdaagse oorlog brak in juni 1967 uit en ik moest ineens en met spoed mijn drie maanden oude zoontje Gilad overlaten aan de zorg van buurvrouwen in een schuilkelder. We lagen maar tien kilometer van de Egyptische grens. Het werd een heftige oorlog en de gewonden kwamen massaal naar ons ziekenhuis. Ik werkte bij de afdeling Opname. Het waren moeilijke jaren voor Israël.

Het stadje Askelon is mooi gelegen dichtbij de zee met als oude garde mensen van Jemenitische afkomst. Zij woonden in nieuwe wijken van en voor emigranten uit Afrika. De groep uit Zuid-Afrika wilde echter niets weten van hun buren uit Noord-Afrika. Er was als het ware een mentale barricade, geen samenwerking en geen samenhorigheidsgevoel. Ik besloot dit zanderige stadje met emigranten uit Lybie, met zo’n 10-14 kinderen die samen met hun ezeltje in kleine huisjes woonden, te verlaten. Voor hen was dat heel gewoon. Mij trok het noordelijke deel van Israël: meer groen en meer rotsen. Na de geboorte van mijn dochter Lilith verhuisden we naar Tivon, een groene plaats tussen Haifa en Nazareth. Ik ging in dit Arabische stadje werken en kreeg de helft van de stad en de omliggende dorpjes onder mijn hoede. Dit was buitenwerk en ik ging meestal met lokale zusters, die de weg en de taal kenden, op huisbezoek. Eén ervan is mij bijgebleven. Er was ergens ver weg tussen de heuvels een baby geboren. We hadden ons bezoek aangekondigd. Het was een winderige en ijskoude dag. We werden met trots en vreugde onthaald door moeders, schoonmoeders en tantes. Een hele eer voor ons! Ze hadden zich goed voorbereid met een tafel vol snoep en koffie. De pasgeborene lag echter samen met een brandende petroleumkachel in een klein kinderbedje! Verderop ergens in een dorpje vlak bij het meer van Tiberias ging ik een school bezoeken. Samen met het hoofd van de school kwamen we bij een klas vol kinderen, 10 centimeter van de weg, waar de regen naar beneden gutste. Het lokaal had geen verwarming, geen ramen, de deur naar buiten gaf licht en lucht en de kinderen zaten blootsvoets. Later kwam daar met behulp van de Nationale Loterij een nieuwe school.

In de laatste ronde van mijn loopbaan werkte ik nog circa 20 jaar in een plaatsje waar ook weer veel op te knappen viel. Veel extra uren met onder meer het houden en organiseren – samen met de lokale arts – van lezingen en bijeenkomsten, hospice en zorg voor chronisch zieken. Ook daar vond ik alle medicijnen buiten de medicijnkast in een kartonnen doos. Nog steeds liet de gezondheidszorg het aan ons over om ons te specialiseren in de aanschaf en uitreiking van alle medicijnen.

Het kinder- en babyhuis in de kibboets ‘Ha Horshim’, waar de kinderen dag en nacht verbleven, 1962-’64.

Het preventieve werk heeft nog steeds veel te bieden. Het aantrekkelijke van ons beroep is deel uit te maken en mee te kunnen beleven met wat de mens denkt en voelt. Samen met de burgemeester van Tivon, waar ik nog steeds woon en een dokter uit het streekziekenhuis begonnen wij op vrijwillige basis onlangs met de vroege opsporing van borstkanker. Dit extra werk had voor mij een filosofische bijgedachte: ‘Als je iets doet, geeft het voldoening. Doe je het niet, dan heb je niks.’

We hebben nu ook met hulp van de Nationale Verzekering een café-restaurant opgericht voor arbeidsongeschikten. Zij krijgen daar speciale functies met nog wat bijverdienste. Vanuit het hele land komen ze daar naar toe om met dit idee kennis te maken.

Het is wel apart nu hier te wonen in het Midden-Oosten, in het midden van een Arabische wereld en het middel- en mikpunt in ons wereldgebeuren. Hopelijk is er een evolutie, die tot betere tijden zal gaan leiden. Dagelijks ervaar ik dat de zon op en onder gaat en dat de gloed, die hiervan uitstraalt, warmte geeft aan onze harten. En die warmte heeft ons leven in deze wereld heel erg hard nodig!

Hester Grinberg - Boissevain, Kiryat Tivon (Israël)

VIER VROUWEN EN OOM ERNST

Wanneer je op pagina 109 van het Nederland’s Patriciaat (ook wel ‘het Blauwe Boekje genoemd) van 1988 kijkt, dan intrigeert onmiddellijk de biografie van Ernest William Boissevain (NP p 109). Geld, vier vrouwen, high society en een landhuis. Zo’n leven (1898 – 1984) is bijzonder genoeg geweest om eens vast te leggen. Auteur Ernst Boissevain (NP p 111) is waarschijnlijk een van de laatste in onze familie die deze naamgenoot nog heeft gekend. Et voilà! De foto’s komen uit zijn privé-collectie.

Ik neem u mee naar het begin van de vorige eeuw. In het grote huis van mijn grootvader aan de Trompenburgerweg in Hilversum is de tafel gedekt. Zijn twaalf kinderen zijn al in de eetkamer, de kinderen uit het eerste huwelijk, de oudste zoon en de dochter uit het tweede zitten al. De vier anderen eten staand aan tafel. Een aanstaande schoonzoon en twee nannies completeren het gezelschap. Dan gaat de deur open en komt mijn grootvader met zijn echtgenote binnen. Hij gaat zitten, leest een passage uit de Bijbel voor en er wordt gebeden. Dan wordt de grote soepterrine binnen gebracht. Als er teveel damp uit opstijgt, leegt grootvader er een grote kan water in. Helemaal aan het eind van de tafel staat het jongste zoontje. Over hem gaat dit verhaal.

Het is een aardig jong. Hij zal veel vrienden en nog meer vriendinnen hebben. Hij gaat werken voor een Amerikaanse trustcompagnie in Parijs, ontmoet daar een Amerikaanse en dat wordt in 1927 mijn tante Billy. Bij hun bezoek aan ons komt een prachtige auto voorrijden. Wij mogen meerijden, maar binnen vijfhonderd meter eindigt de rit tegen een boom. Zoiets maakt diepe indruk op een klein jongetje als ik. Dat gold ook voor de zoenen van tante Billy, waarvan de rode rougeresten onmiddellijk door mijn vader bij het dichtstbijzijnde wastafeltje werden weggeboend.

Na de beurskrach van 1929 woonde het echtpaar in Londen, de bezoeken aan ons namen af. Het volgende contact dat ik mij herinner, vond plaats in 1939. Ik ben met mijn ouders aan de Franse westkust waar onverwacht oom Ernst binnen komt. Onverwacht is ook dat hij een andere vrouw aan zijn arm heeft: Dorothy. Hij heeft serieuze plannen met haar. Wij gaan terug naar Nederland, de oorlog breekt uit (september 1939) en plotseling staat oom Ernst weer voor ons. Met Dorothy. Het verkeer tussen Frankrijk en Engeland is gestremd, ze komen logeren. Maar dat gaat zomaar niet. Mijn vader is niet bereid ze te herbergen als oom Ernst niet eerst zijn Billy telefonisch op de hoogte stelt. Dat gebeurt, schoorvoetend. Boven aan de trap staat een jongetje van 14 jaar met rode oortjes te luisteren. Billy werkt tegen, bestelt het avondeten bij dure hotels en is boos. Na enige dagen verdwijnt het stel naar Londen. Tenslotte komt een telegram binnen: ‘Am on my way to Cuba with Dorothy. Send money immediately . Ernest.’ Het is 9 mei 1940.

Pas vijf jaar later horen we hoe het is afgelopen. Tante Billy had de volgende boot naar Cuba genomen en het kwam tot een scheiding. Oom Ernst en Dorothy hebben heel goede jaren gehad, maar zij krijgt helaas een ernstige ziekte, de laatste jaren brengen zij door in Canada, waar zij overlijdt.

Dorothy schilderde en oom Ernst heeft dat van haar geleerd. Terug in New York portretteerde hij leden van de New Yorkse society en verdiende zo een zakcentje. Hij heeft daar ook een art gallery geopend, naar ik meen onder onze oude naam Bouissavy. En hij trouwt een jonge studente, een huwelijk dat vier jaar stand houdt.

Maar dan komt de grote finale. Zij heet Jean Tennyson. Zij had een grote carrière als operazangeres achter de rug, zong ook in Europa in de Salzburger Festspiele en in vele hoofdsteden en trouwde een captain of industry die haar een fortuin naliet. Ze ging met tegenzin naar een feestje waar oom Ernst, ook met tegenzin, ook naartoe was gekomen. Het klikte en het huwelijk is vijfentwintig jaar lang een feest geweest. Ze kochten een vervallen kasteel van de familie Antinori ten zuiden van Florence. Het werd fraai opgeknapt, gedeeltelijk in de oorspronkelijke renaissancestijl. De balzaal werd ingericht voor concerten en veel musici van naam zijn daar opgetreden. Arthur Rubinstein was een dierbare huisvriend.

Ernest William Boissevain bij zijn kasteel in Italië.

Wij reden langs de portiersloge naar boven, tussen de rijen cipressen links en rechts. Boven door de poort, een kort hartelijk welkom en even later spartelden we tussen de gouden waterkranen van de badkamer. In onze logeerkamer hing een keur van schilderijen, museumstukken. Achter de muren van de meeste kamers bevindt zich een gangenstelsel voor het personeel dat aldus ongezien onze kleren konden ophalen en ze na een paar uur gewassen en gestreken weer terug brachten.

Oom Ernst gaf ons een rondleiding. Het begon in het souterrain waar ongeveer twintig man lager personeel, waaronder ook de tuinmannen en de verzorgers van de wijngaard, plachten te eten. Twee trapjes hoger bevond zich een tafel voor Elisabeth, al sinds een eeuwigheid de kamenierster van tante Jean. Beneden was ook de keuken. Er was een uitstekende kok, die voor elke maaltijd een taart placht te bakken. Onze gastheer en –vrouwe plachten daarvan een zeer bescheiden stukje te nemen, de rest ging naar het personeel. Dachten ze. Na enige tijd ontdekte oom Ernst dat het toch enigszins anders ging. Het bleek dat de kok een winkeltje in Florence had gekocht en jawel, daar verkocht hij taartpunten. Oom Ernst ontstak daarop in een woede, die het kasteel deed trillen op zijn grondvesten. De kok keek vol onbegrip en tante Jean heeft zelden zo gelachen.

Luchtfoto van Villa Antinori delle Rose ten zuiden van Florence (Italië).

Voor de variatie waren er nog wat bezittingen. Op het eiland Ischia hadden ze een flink terrein waarop een woongedeelte, een huis voor het personeel, een captains cabin voor oom Ernst en een groot atelier voor tante Jean. Ze boetseerde daar en heeft onder andere in opdracht van de Verenigde Staten een borstbeeld van Golda Meir gemaakt. Er was een prachtig zwembad waarvan Herbert von Karajan met zijn vriendin hebben genoten, zonder badpak hetgeen oom Ernst even de wenkbrauwen deed fronsen.

Jean Tennyson in haar gloerietijd.

Ze hadden daarnaast nog een huis in Vermont (USA), een appartement aan de Avenue George V in Parijs en een zeewaardig jacht. Dat laatste lag in Monaco, doch werd maar zelden gebruikt.

Tenslotte nog een anekdote. Polaroid kwam met zijn fototoestel met direct ontwikkelde foto’s als groot nieuwtje voor het brede publiek en oom Ernst besloot dat aan tante Jean op haar verjaardag cadeau te doen. Aan het einde van de dag zei hij dat hij het nog even wilde bekijken en nam het mee naar zijn captains cabin. Het toestel kwam niet meer terug. Een half jaar later was oom Ernst jarig, tante Jean sloop naar de cabin, pakt het toestel en deed er een keurig papiertje en strikje omheen. ‘Alsjeblieft: een cadeau voor je.’ Oom Ernst, even uit het veld geslagen, verpakte het toestel een half jaar later weer en gaf het opnieuw cadeau. Dat bleef nog een jaar een standing joke.

In 1982 werd het tijd om het wat rustiger aan te doen. Ze kochten een flat aan het meer van Genève en de Italiaanse bezittingen werden verkocht en geveild, zo ook het jacht. Nog voordat de flat goed en wel was ingericht, overleed oom Ernst in 1984. Jean overleed in 1991.

Ernst Gulian Boissevain, Apeldoorn

Foto’s van het kantoor te Singapore van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM), die in 1888 mede door Jan Boissevain (NP p 52-53) werd opgericht en waarvan hij tot zijn overlijden in 1904 in de Raad van Bestuur zat. Foto’s uit het eerste kwart van de 20 ste eeuw en afkomstig uit het Nationaal Archief van Singapore.

(Collectie Charles Boissevain, Twello)